Herman André Frederik Gustaaf van Ermel Scherer (Den Haag, 29 september 1875 – Breda, 22 april 1947) was een Nederlands luitenant-generaal der artillerie.
Biografie Van Ermel Scherer was afkomstig uit een militaire familie. Zijn vader was Frederik Gustaaf Alexander van Ermel Scherer, luitenant-generaal en inspecteur der artillerie. Ook zijn overgrootvader diende in de artillerie en nam als officier deel aan de veldtochten van 1793 en 1794 tegen Frankrijk.
Na het doorlopen van de HBS legde Van Ermel Scherer in 1893 examen af voor de artilleriecursus te Delft. Drie jaar later werd hij benoemd tot tweede luitenant bij het 1e Regiment Vestingartillerie te Utrecht. Vier jaar later werd hij overgeplaatst naar het 2e Regiment Veldartillerie.
Hij bezocht de Hogere Krijgsschool en doorliep vervolgens verschillende functies binnen de artillerie en de Generale Staf. Tijdens de mobilisatie in de Eerste Wereldoorlog was hij chef van de staf van de landmacht in de Stelling van Den Helder. Nadien werd hij docent aan de Hogere Krijgsschool. Als hoofdofficier van de Generale Staf werd Van Ermel Scherer de eerste directeur van de Etappen- en Verkeersdienst in vredestijd. In die functie was hij onder meer ambtshalve voorzitter van de Oorlogstelegraafcommissie en lid van het hoofdbestuur van het Nederlandse Rode Kruis.
In 1928 werd hij benoemd tot directeur van de Hogere Krijgsschool. Later volgde zijn benoeming tot generaal-majoor en commandant van de III Divisie te Breda. Op 1 november 1934 werd hij bevorderd tot luitenant-generaal, waarna hij met pensioen ging uit militaire dienst. Na zijn pensionering werd Van Ermel Scherer in 1935 opnieuw in dienst geroepen als commandant van de Luchtverdedigingskring Amsterdam. Op 1 mei 1940 werd hij eervol van deze functie ontheven. Hij werd opgevolgd door luitenant-generaal J.H. Carstens.
Overige activiteiten Van Ermel Scherer publiceerde artikelen in de Wetenschappelijke Jaarberichten van de Vereeniging ter Beoefening van de Krijgswetenschap en in De Militaire Spectator. Ook hield hij voordrachten over militaire organisatie en defensievraagstukken, waaronder over de toekomstige legerorganisatie van Nederland en de strategische positie van Nederland en Nederlands-Indië.
Hij had belangstelling voor geschiedenis en kunstgeschiedenis en maakte verschillende studiereizen naar Europese landen. Hij was actief in het maatschappelijke leven van Breda. Hij was bestuurslid van de vereniging „Breda Vooruit” en vicevoorzitter van „Ginneken Vooruit”. Tevens had hij zitting in de redactiecommissie van een geschiedkundig werk over Breda.
Staat van dienst
Kanonnier: 1893 Korporaal: 1894 Sergeant: 1894 Tweede luitenant: 1896 Eerste luitenant: 1901 Kapitein: 1913 Majoor: 1924 Kolonel: 1929 Generaal-majoor: 1932 Luitenant-generaal: 1934
Onderscheidingen
Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw (1934) Ridder in de Orde van Oranje-Nassau (1923) Officier in het Legioen van Eer (1931) Commandeur 2e klasse in de Orde van Sint-Olaf (1931) Commandeur 2e klasse in de Orde van het Zwaard (1931) Commandeur in de Orde van de Witte Leeuw (1932)
Bron
Ministerie van Oorlog, Inventaris van de dienststaten en stamboeken der Officieren van de Koninklijke Landmacht en van de koloniale troepen in Nederland, Archief 2.13.04, Nationaal Archief, Den Haag
Categorie:Nederlands luitenant-generaal Categorie:Rode Kruis