Jean-Baptiste Vuillaume (Mirecourt, 7 oktober 1798 - Parijs, 19 maart 1875) was een van de bekendste Franse vioolbouwers in de 19e eeuw.
Jeugd Vuillaume werd in de periode van de Franse Revolutie geboren als oudste zoon van Claude François Vuillaume en Anne Leclerc. Zijn vader en grootvader waren eveneens vioolbouwer en waren gevestigd in Mirecourt, een gemeente in de Franse Vogezen. Jean-Baptiste leerde het vak van zijn vader, bij wie hij tot 1818 bleef werken.
Carrière thumb|left|Vuillaume-viool uit 1863 In 1818 ging Jean-Baptiste in Parijs werken bij de Franse vioolbouwer François Chanot, een geniaal instrumentenmaker, die evenals Vuillaume afkomstig was uit Mirecourt. Chanot was een vernieuwer en ontwierp gitaarvormige violen. In de periode tussen 1819 en 1823 werkte Vuillaume samen met hem in het bedrijf van orgelbouwer Nicolas Antoine Lété, die in Parijs een vestiging had, waar voordelige violen gebouwd werden. Lété stuurde de violen van Vuillaume in voor de vijfde en zesde "Exposition des produits de l’industrie française" in 1819 en 1823, waar deze violen de zilveren medaille voor vioolbouwers wonnen. Door dit succes werd Vuillaume vennoot van Lété en werd de firma ‘Lété et Vuillaume’, totdat de vennootschap in 1827 ontbonden werd.
In 1828 opende Vuillaume zijn eigen atelier aan de rue Croix-des-Petits-Champs in Parijs. Zijn jongere broer Nicolas François ging hem helpen. Samen bouwden zij replica's van de beroemde violen van Stradivarius, Amati en Giuseppe Antonio Guarneri. Hij won verschillende gouden medailles op de Wereldtentoonstellingen van Parijs in 1839, 1844 en 1855. In 1851 won hij de Council Medal in Londen en werd hij onderscheiden met de Nationale orde van het Legioen van Eer. thumb|140px|Achterzijde van een kopie van Le Messie door Vuillaume, 1860 Vuillaume raakte in de ban van Stradivarius en vooral van diens viool Le Messie. Uit de collectie van Luigi Tarisio bemachtigde hij enkele mallen van Stradivarius en kopieerde zo ook 15 exemplaren van Le Messie.
Tussen 1840 en 1850 groeide Vuillame's firma uit tot een bedrijf waar zo’n 150 instrumenten en 600 strijkstokken per jaar werden gemaakt. Vuillame was ook de uitvinder van een altviool, die hij een "contralto" noemde, de octobas en van strijkstokken met een vaste kam en verwisselbare haren, en van holle stalen strijkstokken.
Zijn broer Nicolas vertrok naar zijn geboorteplaats Mirecourt, waar hij een dependance begon. Toen Vuillame zestig werd trok hij zich terug uit de dagelijkse leiding van zijn bedrijf. In 1875 bouwde hij zijn laatste viool. Nestor Audinot, een leerling van Sébastien Vuillaume, zelf een neef van Jean-Baptiste, volgde hem in 1875 op in zijn werkplaats.
Nalatenschap Vuillame's dochter Marie-Claire beheerde zijn nalatenschap. Die was zo groot dat de afwikkeling daarvan haar jaren kostte. Om te voorkomen dat kennis en materiaal van Jean-Baptiste in onbevoegde handen kwam, sloot zij direct na zijn dood de overgebleven vioolbouwateliers.
Het Nederlands Muziekinstrumentenfonds is in het bezit van vijf instrumenten van Vuillaume, waaronder twee violen. Een kopie van een Guarneri werd vanaf 1997 bespeeld door Vesko Eschkenazy, toenmalig concertmeester van het Nederlands Philharmonisch Orkest. In 2001, toen Eschkenazy een 'echte' Guarneri had verworven, ging de viool over in handen van Hebe Mensinga, die er 25 jaar op speelde. Sinds maart 2026 is Tijmen Huisingh de bespeler. Julija Hartig bespeelt de ‘Zimmermann-Vuillaume’-viool, ooit bespeeld door Louis Zimmermann (1873-1954), van 1910 tot 1940 concertmeester van het Concertgebouworkest. Een Vuillaume-viool die van Eugène Ysaÿe was geweest (een Guarnerius-kopie van omstreeks 1840-1845), werd eind 2017 door een veilinghuis in Vichy verkocht voor € 260.000, een recordbedrag voor deze vioolbouwer.
Categorie:Vioolbouwer