De montane bos-graslandmozaïek van Angola (Engels: Angolan montane forest-grassland mosaic) vormen een ecoregio die ligt aan de oostelijke kant van de bergketen die parallel loopt aan de kust van Angola, 50-100 km landinwaarts. De ecoregio is onderdeel van de WNF-bioom Berggraslanden en -struwelen.
Geografie Deze hellingen in het binnenland zijn grotendeels bedekt met grasland en savanne. Ooit besloeg het bosgebied een veel groter gebied, maar vandaag de dag zijn er alleen nog maar stukjes over, voornamelijk in diepe ravijnen en op de hogere toppen in de provincies Huambo en Cuanza Sul, zoals de Moco (2.620 m), de Mepo (2.582 m), de Lubangue (2.554 m) de Namba (2.582 m) en op de Serra da Chela in de provincie Huíla.
De steden Huambo en Lubango liggen aan de rand van de ecoregio.
Klimaat Het gebied kent een natte zomer en het hele jaar door wat mist en regen, waardoor er vrij veel water beschikbaar is, hoewel dat in het droge seizoen op sommige plaatsen alleen te verkrijgen is door in de zandige bedding van de rivieren te graven.
Flora Open bergweiden vormen de overheersende plantengemeenschap boven 1.600 meter hoogte. In het droge seizoen komen branden vaak voor, waarbij het droge gras verbrandt en vervolgens wordt vernieuwd. Struiken omvatten soorten van Erica, suikerbossen (Protea) en Cliffortia, en grassen Themeda triandra en soorten van Tristachya, Hyparrhenia, Festuca en Monocymbium.
Bossen komen voor boven 1.800 meter hoogte, in vochtige ravijnen en op hoge berghellingen. De bossen zijn meestal klein, van 1 tot 20 hectare, met een onregelmatig bladerdak van 8 tot 15 meter hoog. De bossen zijn niet zo kwetsbaar voor brand. De flora van het Afromontane bosgebied vertoont overeenkomsten met die van andere bergketens in Afrika. De overheersende boom is de naaldboom Podocarpus latifolius. Andere bomen in het bladerdak zijn voornamelijk groenblijvende loofbomen, waaronder Apodytes dimidiata, Halleria lucida, Ilex mitis, Olea spp., Pittosporum viridiflorum, Polyscias fulva en Syzygium guineense afromontanum.
Fauna De fauna omvat een aantal vogelsoorten die uniek zijn voor de hooglanden, zoals angoladrongovliegenvanger (Dioptrornis brunneus), Boultons vliegenvanger (Batis margaritae), Grants frankolijn (Pternistis griseostriatus), holenlawaaimaker (Xenocopsychus ansorgei) en Swierstra's frankolijn (Pternistis swierstrai). De berghoningzuiger (Cinnyris ludovicensis) komt van nature voor in het montane bos-graslandmozaïek van Angola en op het Nyikaplateau in Malawi. Sommige van deze soorten hebben naaste verwanten in andere bossen op het continent, wat er nog meer op wijst dat dit bosgebied ooit veel uitgebreider was.
Inheemse zoogideren zijn onder andere de blauwe duiker (Philantomba monticola), boszwijn (Potamochoerus larvatus), Funisciurus pyrropus, gele baviaan (Papio cynocephalus) en gewone duiker (Sylvicapra grimmia). Grote grazende zoogdieren die halverwege de jaren zeventig werden geregistreerd, zijn onder meer burchellzebra (Equus quagga burchelli), elandantilope (Taurotragus oryx), oribi (Ourebia ourebi), rietbok (Redunca arundinum) en roanantilope (Hippotragus equinus), maar de meeste zijn nu zeldzaam of uitgeroeid in de ecoregio.
Twee soorten spitsmuizen, de Crocidura erica en de Crocidura nigricans, komen alleen voor in deze ecoregio en enkele aangrenzende gebieden van de omliggende miombobossen van Angola.
Bescherming De hooglanden zijn een van de dichtstbevolkte delen van Angola, waardoor de bossen kwetsbaar zijn voor ontbossing, terwijl een deel van de graslanden, behalve waar het erg moerassig is, wordt ontgonnen voor landbouw. Bovendien waren de bergen tijdens de Angolese Burgeroorlog het toneel van veel conflicten en armoede, met als gevolg dat de fauna weinig is bestudeerd of beschermd. Geen enkel deel van de ecoregio ligt in beschermde gebieden.
Categorie:Ecoregio van Afrika Categorie:Berggraslanden en -struwelen