Plesionectes is een geslacht van de Plesiosauria dat tijdens de vroege Jura leefde in het gebied van het huidige Duitsland. De enige benoemde soort is Plesionectes longicollum.

Vondst en naamgeving In 1978 vond Gotthilf Fischer in zijn leisteengroeve te Holzmaden het skelet van een plesiosauriër. Hij prepareerde het zelf in zijn privémuseum, de Urweltsteinbruch Holzmaden, aan de overzijde van de straat gelegen van het Urweltmuseum Hauff. Breuken in de wervels vulde hij op met bruin gips. Hij verkocht het in 1979 aan het Staatliches Museum für Naturkunde Stuttgart. In 1986 werd de vondst afgebeeld in een artikel over de plesiosauriërs van het Museum am Löwentor, de dependance waar de fossielen getoond worden. Het werd bij die gelegenheid toegewezen aan Plesiosaurus, als een jong dier van dat geslacht. Dat werd bevestigd in 1994. Er ontstond echter ook twijfel over, vooral doordat mensen zich realiseerden dat het specimen, hoewel van superbe kwaliteit, nog nooit echt bestudeerd was. Rupert Wild oordeelde in 1989 dat het een exemplaar van Microcleidus was. Die naam fungeerde echter als een verzamelbegrip voor een aantal vormen van onzekere verwantschap. In 2006 gaf Fransiska Großmann in haar proefschrift een eerste voorlopige beschrijving en concludeerde dat het een nieuwe soort was. In 2017 publiceerden Peggy Vincent e.a. een gedetailleerde beschrijving, met een nadruk op de weke delen. Ook daarvan was de conclusie dat het een nog onbekende soort betrof die echter niet benoemd werd.

in 2025 benoemden en beschreven Sven Sachs en Daniel Madzia de typesoort Plesionectes longicollum. De geslachtsnaam combineert een verwijzing naar de plesiosauriërs met het Grieks nèktès, "zwemmer", een gebruikelijk achtervoegsel in de namen van Plesiosauria. De soortaanduiding combineert het Latijn longus, "lang", en collum, "lang", een verwijzing naar het hoge aantal halswervels voor de vroege Jura. De Life Science Identifiers zijn C1A1E982-0895-46F5-9B21-F9741E111949 voor het geslacht en 73D43879-D9DA-410A-8F2D-F48BC1033432 voor de soort.

Het holotype, SMNS 51945, is gevonden in een laag leisteen van de Posidoniaschalie, de Lias εII1 die dateert uit het vroege Toarcien en vermoedelijk 182,7 tot 182,9 miljoen jaar oud is. Het is daarmee een van de vroegste plesiosauriërs uit de Holzmaden die in 2025 bekend was. Het bestaat uit een vrijwel volledig skelet met schedel, platgedrukt op een enkele plaat. Het skelet is van de linkerzijde zichtbaar. Bepaalde delen ontbreken. De schedel is naar binnen gedraaid, de plaat in. Alleen het achterhoofd is zo waarneembaar. Of er nog onderkaken zijn, kan niet worden vastgesteld. Een in 2017 gemelde tak van een onderkaak bleek in 2025 een verschoven quadratum te zijn. Het atlas-draaier-complex lijkt verloren te zijn gegaan. Eenenveertig halswervels zijn er nog, wat duidt op een minimumaantal van drieënveertig. Bij veertien halswervels heeft Fischer barsten met een soort bruine alabastine, een gipsplamuur, dichtgesmeerd; eronder zijn de centra nog aanwezig. Verder zijn de ravenbeksbeenderen beschadigd, net als de schaambeenderen en de rechtervoorvin. Ook hier zijn stukken met plamuur gladgemeerd. Weke delen zijn zichtbaar rond de nek, staart en achtervinnen. In de buik zijn gastrolieten aangetroffen. Het betreft een jong onvolgroeid dier.

Beschrijving Grootte en onderscheidende kenmerken Het fossiel heeft een bewaarde lengte van 295 centimeter. De geschatte oorspronkelijke lengte is 320 centimeter. De nek is 125 centimeter lang, de romp 85 centimeter en de staart 81 centimeter.

Sachs en Madzia stelden verschillende onderscheidende kenmerken vast. Een ervan is een autapomorfie, een unieke afgeleide eigenschap. Bij de halswervels en borstwervels is de beennaad tussen de wervelboog en het wervellichaam V-vormig. Een andere mogelijke autapomorfie zijn de zeer korte zijuitsteeksels van de nek, maar die zijn door Sachs persoonlijk ook waargenomen bij Microcleidus melusinnae

Daarnaast is er een unieke combinatie van op zich niet unieke kenmerken. De processus paroccipitalis is aanzienlijk langer dan de hoogte van het hoofdlichaam van het exoccipitale. Er zijn minstens drieënveertig halswervels. Behalve de eenenveertig bewaarde moet er minstens een eerste halswervel, de atlas, en een tweede, de draaier aanwezig zijn geweest. Het kunnen er ook meer zijn. Occitanosaurus heeft er vierenveertig in totaal. bij de meeste verwanten zijn er minder: Plesiosaurus heeft er eenenveertig, Microcleidus homalospondylus veertig, Plesiopterys negendertig; Hydrorion, Eoplesiosaurus zesendertig en Seeleyosaurus zesendertig tot vijfendertig terwijl Franconiasaurus er minder dan dertig heeft. Bij de voorste, middelste en de meerderheid van de achterste halswervels zijn de parapofyse en het zijuitsteeksel vergroeid. De allerachterste halswervels hebben één ribfacet. Bij de halswervels zijn uitsteeksels voor de nekribben bandvormig en uitstulpend in de voorste en middelste nek. De doornuitsteeksels zijn bij de achterste halswervels en borstwervels niet aanzienlijk hoger dan horizontaal lang, meestal minder dan tweemaal en missen een insnoering. De rug telt twintig tot eenentwintig wervels.

Skelet De processus paroccipitalis, waarmee de kop kan zwenken, heeft een lengte van 22,6 millimeter. Andere soorten die zulke lange uitsteeksels hebben, zijn Microcleidus, Tricleidus en Umoonasaurus.

Behalve de halswervels telt de wervelkolom minstens drie en wellicht vier of vijf borstwervels. Afhankelijk daarvan telt de rug er twintig of eenentwintig. Er zijn twee sacrale wervels en negendertig staartwervels. Anders dan Vincent stelde hadden wervels twaalf tot en met drieëntwintig een lengterichel op de zijkanten. De doornuitsteeksels van de nek zijn vrij laag als in Franconiasaurus en Plesiopharos. De laatste vijf halswervels hebben maar één ribkop als bij Westphaliasaurus. In 2025 werd de zesenveertigste wervel als de eerste borstwervel beschouwd. De doornuitsteeksels van de borstwervels zijn kort en recht in plaats van naar achteren gebogen. De V-vormige beennaad van de wervelboog is een basaal kenmerk, ook aangetroffen bij Rhomaleosauridae. Microcleididae hebben een afgeronde beennaad. De V-vorm kan opnieuw ontwikkeld zijn. De combinatie van dubbele ribkoppen voor in de hals en enkelvoudige koppen achter in de nek is ook bekend van Westphaliasaurus en sommige Plioauridae. De omgekeerde toestand met juist enkelvoudige ribkoppen vooraan tonen Microcleidus melusinae en Lindwurmia. Vincent dacht dat er misschien maar zeventien ruggenwervels waren zoals bij Seeleyosaurus en Microcleidus; Franconiasaurus heeft er echter zelfs tweeëntwintig. De onzekerheid bestaat doordat de doornuitsteeksels afgebroken en geroteerd zijn — hun lage niveau is dus een illusie — en de centra de matrix in gezakt zijn. Vincent dacht dat er wellicht ook vijf sacrale wervels aanwezig waren terwijl ze het mogelijk achtte dat het aantal staartwervels op eenenveertig lag.

In de schoudergordel zijn de vleugels van in de interclavicula diep ingekeept in de voorrand net als bij Plesiosaurus. Dit zou een autapomorfie kunnen zijn, maar kan ook een gevolg zijn van de jonge individuele leeftijd.

Weke delen Het fossiel toont omzettingsresten van de weke delen.

Levenswijze De levenswijze van Plesionectes is nog niet grondig geanalyseerd. Vincent meende dat de kleine gastrolieten per ongeluk ingeslikt zouden kunnen zijn bij de jacht op kleine bodemdieren, die vaak gezien zijn als de voor de hand liggende prooi van de meest langnekkige plesiosauriërs. De lange nek zou een grote wrijvingsweerstand hebben opgewekt dus een snelle achtervolgingsjager kan het dier onmogelijk geweest zijn. Zo'n nek was te gebruiken om een school vissen of inktvissen te verrassen voordat ze door de drukgolf die de romp opwekte gewaarschuwd konden worden. De nek maakte ook een snelle uithaal naar bezijden mogelijk of een plotse koerswijziging,

Literatuur Ziegler B. 1986. Der schwäbische Lindwurm–Funde aus der Urzeit im Museum am Löwentor. Stuttgart: Theiss. Urlichs M., Wild R. & Ziegler B. 1994. "Der Posidonienschiefer des unteren Juras und seine Fossilien". Stuttgarter Beiträge zur Naturkunde, Serie C 36: 1–95 Großmann F. 2006. Taxonomy, phylogeny and palaeoecology of the plesiosauroids (Sauropterygia, Reptilia) from the Posidonia shale (Toarcian, Lower Jurassic) of Holzmaden, south west Germany. PhD thesis, Universität Tübingen, Tübingen, Germany Vincent P., Allemand R., Taylor P.D., Suan G. & Maxwell E.E. 2017. "New insights on the systematics, palaeoecology and palaeobiology of a plesiosaurian with soft tissue preservation from the Toarcian of Holzmaden, Germany". The Science of Nature 104: 1–13

Categorie:Plesiosauria