In mei 2026 werd in de provincie Ituri in de Democratische Republiek Congo (DRC) een ebola-epidemie gemeld. Het betreft de zeventiende ebola-uitbraak in de DRC en zij begon slechts vijf maanden na het einde van de voorgaande uitbraak. Aangenomen wordt dat de eerste besmettingen reeds in februari 2026 plaatsvonden in de stad Mongbwalu. Daarnaast werden vanuit Ituri geïmporteerde gevallen vastgesteld in de provincie Noord-Kivu en in Kampala, de hoofdstad van Oeganda.
De epidemie wordt veroorzaakt door het Bundibugyo-ebolavirus. Dit heeft de bestrijding bemoeilijkt, aangezien de bestaande ebolabehandelingen waren goedgekeurd voor een andere ebolasoort, het Zaïre-ebolavirus. Op 16 mei 2026 verklaarde de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) de uitbraak tot een internationale medische noodsituatie (Public Health Emergency of International Concern, PHEIC).
Op 21 juni waren in de Democratische Republiek Congo 254 bevestigde sterfgevallen geregistreerd en in Oeganda twee. De gebrekkige gezondheidszorginfrastructuur in de regio en het aanhoudende gewapende conflict bemoeilijken de opsporing, behandeling en preventie van de ziekte. Daarom wordt aangenomen dat de werkelijke omvang van de uitbraak aanzienlijk groter kan zijn dan uit de bevestigde cijfers blijkt.
Achtergrond Aan de uitbraak van 2026 gingen in de Democratische Republiek Congo zestien bekende ebola-uitbraken vooraf. Er waren eerder twee uitbraken veroorzaakt door het Bundibugyo-ebolavirus (BDBV): de eerste in 2007–2008 in het district Bundibugyo in Oeganda, waaraan het virus zijn naam ontleent, en de tweede in 2012 in Isiro, in de Democratische Republiek Congo. De sterftegraad van het virus wordt geschat op 25 tot 50 procent.
Er bestaat geen goedgekeurd vaccin of geneesmiddel dat specifiek gericht is tegen het Bundibugyo-ebolavirus. Experimentele vaccins zijn getest op makaken. Uit onderzoek met deze apensoort blijkt dat Ervebo, het vaccin dat is goedgekeurd tegen het Zaïre-ebolavirus, mogelijk gedeeltelijke bescherming biedt tegen het Bundibugyo-ebolavirus. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) acht dit bewijs echter onvoldoende en heeft het gebruik van het vaccin tijdens de huidige uitbraak afgeraden.
De uitbraak begon in Ituri, een regio waar recent een heropleving heeft plaatsgevonden van een al decennialang bestaand etnisch conflict. Ook aangrenzende provincies zijn getroffen door het conflict tussen de Democratische Republiek Congo en Rwanda. Ituri, Noord-Kivu en Zuid-Kivu verkeren in een humanitaire crisis, waarbij ongeveer 1,9 miljoen mensen afhankelijk zijn van hulpverlening.
Grootschalige vluchtelingenstromen, grensoverschrijdend verkeer en reisbewegingen die verband houden met de mijnbouw bemoeilijken het opsporen van contacten van besmette personen. De positie van Ituri als commercieel en migratieknooppunt vergroot bovendien aanzienlijk het risico dat de ziekte zich verder verspreidt binnen de regio.
Epidemiologie Ebolavirussen zijn endemisch in Centraal- en West-Afrika. Vleermuizen worden vaak beschouwd als natuurlijke gastheren van het virus, hoewel dit voor deze specifieke virussoort nog niet definitief is bevestigd. Het virus kan ook andere zoogdieren infecteren die op vleermuizen jagen. Besmetting van mensen kan optreden door contact met geïnfecteerde vleermuizen, kadavers van besmette dieren of zogenoemd bushmeat. Overdracht tussen mensen vindt plaats door nauw en direct contact met lichaamsvloeistoffen van een besmette, zieke of overleden persoon. Hierdoor lopen vooral gezinsleden van besmette personen en zorgverleners een verhoogd risico op infectie.
De eerste pogingen om de uitbraak in te dammen vonden plaats in een zeer instabiel deel van het oosten van de Democratische Republiek Congo. In dit gebied hadden conflicten waarbij gewapende groeperingen zoals de Allied Democratic Forces (ADF), de Cooperative for Development of the Congo (CODECO) en de door Rwanda gesteunde M23-beweging betrokken waren, de toegang voor humanitaire organisaties reeds langdurig beperkt. Gevechten en door gewapende groepen opgelegde beperkingen bemoeilijkten bovendien de hulpverlening, beperkten de bewegingsvrijheid van de burgerbevolking en verminderden de toegang tot essentiële diensten.
Tijdlijn van de uitbraak Volgens Tedros Adhanom Ghebreyesus, directeur-generaal van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), kan de uitbraak al in januari 2026 zijn begonnen. Op basis van modellen van de verspreiding van het Bundibugyo-ebolavirus wordt geschat dat het virus in januari of februari op mensen is overgesprongen, waarbij een zogenoemde spillover-gebeurtenis midden tot eind februari het meest waarschijnlijk wordt geacht. Onderzoekers vermoeden dat de begrafenis van een predikant uit Mongbwalu op 4 februari een van de eerste besmettingshaarden vormde. Tijdens de uitvaart werd het lichaam door familieleden verzorgd en raakte de doodskist beschadigd. Hoewel de predikant nooit officieel met ebola werd gediagnosticeerd, overleden na de begrafenis bijna vijftig personen met symptomen die overeenkwamen met ebola, onder wie meerdere van zijn broers. Daarom wordt hij achteraf beschouwd als de vermoedelijke indexpatiënt. In de maanden na de uitvaart verergerde de uitbraak in Mongbwalu, waarbij meer dan honderd mensen overleden. Er wordt echter aangenomen dat de ziekte reeds enkele maanden eerder in de stad aanwezig was.
Aanvankelijk werd een man uit Ituri die op 24 april 2026 hemorragische symptomen ontwikkelde beschouwd als de vroegst bekende vermoedelijke besmetting. Binnen zijn huishouden vond al snel verdere overdracht plaats toen een broer of zus op 26 april symptomen kreeg en de volgende dag overleed. De vermoedelijke indexpatiënt zelf stierf op 28 april. Op 23 mei maakte het Rode Kruis bekend dat drie medewerkers die tussen 5 en 16 mei waren overleden, vermoedelijk reeds op 27 maart besmet waren geraakt tijdens werkzaamheden rond het beheer van overleden personen in Mongbwalu, nog voordat de uitbraak officieel was vastgesteld.
Op 30 april werd een mogelijk signaal van een uitbraak gemeld. Eerste tests in Bunia waren echter negatief voor het Zaïre-ebolavirus, waarna monsters voor verder onderzoek werden verzonden naar het Nationaal Instituut voor Biomedisch Onderzoek (INRB) in Kinshasa. Op 5 mei werd de WHO op de hoogte gebracht van een mogelijke ebola-uitbraak in Ituri en stuurde zij een responsteam naar de regio. Op 14 mei bevestigde het INRB acht gevallen van een filovirus dat niet tot de Zaïre-soort behoorde. Genomische sequencing op 15 mei wees uit dat het om het Bundibugyo-ebolavirus ging. Diezelfde dag verklaarde Oeganda een uitbraak naar aanleiding van een geïmporteerd geval.
Op 15 mei bevestigde het Congolese ministerie van Volksgezondheid, Hygiëne en Sociale Zaken officieel een uitbraak van ebolavirusziekte in de provincie Ituri, waarbij 246 vermoedelijke gevallen werden gemeld. Op 16 mei waren in de gezondheidszones Bunia, Mongbwalu en Rwampara bevestigde of vermoedelijke besmettingen vastgesteld. Daarnaast werden gevallen bevestigd in Kinshasa, de hoofdstad van de Democratische Republiek Congo, en in Kampala, de hoofdstad van Oeganda.
Op 16 mei meldde de WHO acht laboratorium-bevestigde gevallen van het Bundibugyo-ebolavirus in Ituri, één bevestigd geval in Kinshasa en twee bevestigde gevallen in Kampala. Vanwege ongebruikelijke clusters van vermoedelijke besmettingen in verschillende delen van Oost-Congo kon de WHO de geografische omvang van de epidemie en het werkelijke aantal besmettingen niet vaststellen. In combinatie met de bevestigde gevallen in Oeganda leidde dit ertoe dat de WHO de uitbraak uitriep tot een noodsituatie op het gebied van de volksgezondheid van internationaal belang (PHEIC).
Op 17 mei bevestigden gezondheidsautoriteiten een besmetting in Goma, een stad in de provincie Noord-Kivu die onder controle stond van de M23-beweging. De patiënt betrof een vrouw die vanuit Ituri naar de stad was gereisd. Diezelfde dag meldde de WHO dat het eerder gemelde geval in Kinshasa na aanvullend onderzoek negatief was bevonden.
Op 18 mei werden besmettingen vastgesteld in Butembo, een stad in Noord-Kivu die tijdens de Kivu-ebola-uitbraak een belangrijk centrum van besmetting was geweest, evenals in de gezondheidszone Nyakunde in Ituri. Op dezelfde dag rapporteerde de WHO 516 vermoedelijke gevallen en 131 sterfgevallen in de Democratische Republiek Congo. Daarnaast waren er 33 bevestigde gevallen en vier bevestigde sterfgevallen geregistreerd in vier gezondheidszones van Ituri en drie gezondheidszones van Noord-Kivu. In Oeganda waren twee bevestigde gevallen en één bevestigd sterfgeval gemeld in Kampala.
Op 21 mei verklaarde een woordvoerder van de Congo River Alliance dat een patiënt die was overleden in een landelijk gebied nabij Bukavu in de provincie Zuid-Kivu positief was getest op ebola. De patiënt was vanuit Kisangani, de hoofdstad van de provincie Tshopo, naar Zuid-Kivu gereisd.
Op 22 mei verhoogde de WHO haar risicobeoordeling voor de uitbraak in de Democratische Republiek Congo van hoog naar zeer hoog. Het regionale risico bleef hoog, terwijl het mondiale risico als laag werd beoordeeld.
Op 29 mei actualiseerde het Congolese ministerie van Volksgezondheid het aantal vermoedelijke gevallen door dossiers te verwijderen die na onderzoek waren uitgesloten, evenals sterfgevallen waarvoor het onderzoek nog niet was afgerond. De WHO volgde dit op 2 juni en maakte bekend dat van de eerder gemelde 906 gevallen er na aanvullende tests nog slechts 116 als vermoedelijk werden beschouwd.
Op 29 mei werden tevens bevestigde besmettingen gemeld in Beni, een stad in Noord-Kivu die eveneens een belangrijk centrum vormde tijdens de eerdere Kivu-ebola-uitbraak.
Op 24 juni bevestigde Frankrijk zijn eerste geval van ebola in verband met de uitbraak. Het betrof een arts die kort daarvoor was teruggekeerd uit de Democratische Republiek Congo, waar hij had deelgenomen aan een humanitaire missie. Het geval vormde de eerste bevestigde besmetting die rechtstreeks aan de uitbraak buiten Afrika werd gekoppeld.
Begin juli 2026 werden 1.481 gevallen bevestigd, waarvan 1.460 in de Democratische Republiek Congo, met 452 sterfgevallen, in Oeganda 20 gevallen met 3 sterfgevallen, en één geval in Frankrijk.
Eind juli waren al 3.075 mensen besmet geraakt met het virus, waarvan 1.354 overleden. Het aantal bevestigde gevallen steeg bijzonder snel, Oeganda maakte op 28 juli 2026 bekend dat ebola in het land onder controle was.
Humanitaire respons Nadat ziekenhuizen in Bunia, de hoofdstad van de provincie Ituri, overbelast raakten, begonnen de gezondheidsautoriteiten van de Democratische Republiek Congo op 17 mei met de inrichting van veldhospitalen. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) omschreef deze maatregel als een eerste noodrespons. Tegelijkertijd werd gewerkt aan het aanvoeren van medische voorraden en andere hulpmiddelen naar de getroffen regio.
Op 18 mei maakte het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC) bekend deskundigen naar het gebied te sturen om ondersteuning te bieden bij de bestrijding van de epidemie.
Omdat er geen goedgekeurde behandeling of vaccin beschikbaar is dat specifiek gericht is tegen ziekte veroorzaakt door het Bundibugyo-ebolavirus, verklaarde de WHO op 19 mei dat de bestrijding voornamelijk zou steunen op uitgebreide volksgezondheidsmaatregelen. Daarbij gaat het onder meer om ondersteunende zorg voor patiënten, vroegtijdige opsporing van besmettingen, strikte protocollen voor infectiepreventie en -bestrijding, intensief contactonderzoek, veilige begrafenispraktijken en nauwe samenwerking met lokale gemeenschappen.