thumb|Natuurbranden, sedert 1 juli 2026.Europa werd in de zomer van 2026 getroffen door een uitzonderlijk zwaar natuurbrandseizoen, vooral in het Middellandse Zeegebied. Tot de zwaarst getroffen landen behoorden Oekraïne, Spanje, waar op 25 juli 2026 een nationale noodtoestand werd uitgeroepen, Frankrijk, Italië, Turkije en Griekenland. Ook verder naar het noorden kwamen omvangrijke natuurbranden voor. Halverwege augustus was volgens het Europese informatiesysteem voor natuurbranden EFFIS ruim 580.000 hectare natuurgebied in Europa door brand getroffen.
Oorzaak De omvang en verspreiding van de branden werden mede bepaald door uitzonderlijk warme en droge weersomstandigheden. West-Europa beleefde in juni 2026 zijn warmste juni sinds het begin van de beschikbare metingen. De gemiddelde temperatuur in West-Europa bedroeg die maand 20,74 °C, 3,06 °C boven het gemiddelde over de periode 1991–2020. Grote delen van West-, Centraal- en Oost-Europa waren tegelijkertijd droger dan gemiddeld. De combinatie van weinig neerslag, lage bodemvochtigheid en extreme hitte droeg volgens het Copernicus-programma bij aan het ontstaan en de intensivering van natuurbranden, met name in Spanje en Frankrijk.
De droge omstandigheden hielden in verschillende gebieden gedurende de zomer aan. Langdurige perioden met weinig neerslag zorgden ervoor dat de bodem en vegetatie uitdroogden. Droog gras, struikgewas en bomen konden daardoor gemakkelijker branden wanneer eenmaal vuur ontstond. Hoge temperaturen vergrootten de verdamping en konden de vegetatie verder uitdrogen. Ook sterke wind speelde bij verschillende grote branden een belangrijke rol. Wind kan een vuurfront sneller voortstuwen en brandend materiaal over grotere afstanden verspreiden, waardoor nieuwe brandhaarden kunnen ontstaan. Bij de grote brand bij Omiš in Kroatië werd de snelle verspreiding van het vuur bijvoorbeeld mede toegeschreven aan sterke wind.
Klimaatverandering Het natuurbrandseizoen vond plaats tegen de achtergrond van de opwarming van het Europese klimaat. Europa behoort tot de snelst opwarmende continenten ter wereld en wordt in toenemende mate geconfronteerd met hoge temperaturen, droogte en hittegolven. Klimaatverandering veroorzaakt een afzonderlijke natuurbrand niet noodzakelijk rechtstreeks, maar kan omstandigheden creëren waarin grote natuurbranden waarschijnlijker en moeilijker te bestrijden worden. Hogere temperaturen en langere droge perioden kunnen vegetatie uitdrogen en het natuurbrandseizoen verlengen. De Europese Commissie stelde voorafgaand aan het brandseizoen van 2026 eveneens dat Europa te maken heeft met warmere en drogere zomers en intensere natuurbranden.
Gevolgen Naast de directe schade aan woningen en infrastructuur hadden de branden gevolgen voor natuurgebieden en ecosystemen. Grote oppervlakten bos, grasland en struikgewas gingen verloren. Natuurbranden kunnen leefgebieden van dieren aantasten en na een brand het risico op bodemerosie vergroten. Ook kwam door de branden grote hoeveelheden rook en koolstofdioxide vrij. Het Europese European Forest Fire Information System (EFFIS) houdt gedurende het brandseizoen onder meer het aantal grote branden, de verbrande oppervlakte en de geschatte uitstoot bij.
In verschillende landen moesten inwoners en toeristen uit bedreigde gebieden worden geëvacueerd. Woningen en andere gebouwen werden beschadigd of verwoest en wegen werden tijdelijk afgesloten. Ook populaire toeristische gebieden werden getroffen. In Kroatië moesten bij de brand rond Omiš ongeveer 1.200 mensen worden geëvacueerd, terwijl in het noorden van Griekenland honderden mensen per boot uit een kustplaats werden geëvacueerd. Ook Frankrijk en Spanje voerden tijdens grote branden omvangrijke evacuaties uit.
De bestrijding van de branden vergde grote aantallen brandweerlieden, voertuigen, helikopters en blusvliegtuigen. Nog voor het hoogtepunt van het natuurbrandseizoen had de Europese Commissie 777 brandweerlieden uit veertien Europese landen vooraf gestationeerd in gebieden met een hoog brandrisico. Daarnaast stonden 22 blusvliegtuigen en vijf helikopters uit de Europese vloot gereed om landen bij grote natuurbranden te ondersteunen. De Europese Commissie breidde voor het brandseizoen van 2026 de gezamenlijke capaciteit verder uit vanwege het toenemende risico op langdurige en grootschalige natuurbranden.
Wanneer de nationale capaciteit onvoldoende was, konden getroffen landen een beroep doen op het Uniemechanisme voor civiele bescherming. Via het Emergency Response Coordination Centre kon de Europese Unie hulp uit andere Europese landen coördineren. Daarnaast kon materieel uit de strategische rescEU-reserve worden ingezet, waaronder blusvliegtuigen. Eind juli zette de Europese Unie bijvoorbeeld vliegtuigen, helikopters, brandweerlieden en voertuigen in ter ondersteuning van Frankrijk en Spanje. De Copernicus Emergency Management Service leverde daarnaast satellietkaarten om hulpdiensten bij de bestrijding van de branden te ondersteunen.
Per regio
Albanië In de zomer van 2026 werd Albanië getroffen door meerdere natuurbranden, mede tijdens een periode van hoge temperaturen en droogte in Zuid- en Oost-Europa. Begin augustus ontstonden onder meer grote branden in de zuidelijke regio Mallakastër. De branden bedreigden verschillende dorpen en ongeveer vijftien families werden samen met hun vee en huisdieren geëvacueerd. Brandweerlieden en andere hulpdiensten bestreden de branden zowel vanaf de grond als vanuit de lucht om te voorkomen dat het vuur woningen zou bereiken.
Op 6 augustus werden in de dorpen Riban en Ngraçan in Mallakastër opnieuw blusoperaties uitgevoerd, waarbij brandweerkorpsen, lokale diensten, vrijwilligers, militairen, helikopters en een Air Tractor-blusvliegtuig werden ingezet. Vier families werden daar uit voorzorg tijdelijk geëvacueerd. Ook in de omgeving van Gjirokastër woedde een natuurbrand in moeilijk toegankelijk bergachtig terrein. Deze brand was volgens berichtgeving waarschijnlijk ontstaan door een blikseminslag. De Albanese autoriteiten zetten gedurende de zomer grote aantallen hulpverleners, brandweervoertuigen en luchtsteun in om verschillende brandhaarden in het land te bestrijden.
Andorra Op 13 augustus 2026 brak een natuurbrand uit in de omgeving van Canòlich, in de parochie Sant Julià de Lòria. De brandweer van Andorra werd ingezet om de brand te bestrijden. De brand werd later die middag geblust.
België
Tussen 1 januari en 13 augustus vonden er in België 234 natuurbranden plaats, waarvan het grootste deel in juli en augustus.
Op vrijdag 14 augustus ontstond rond 14 uur een grote brand in de Hoge Venen. De brand die de daaropvolgende weken woedde was de grootste brand in België in 2026, en de grootste natuurbranden in België sinds 1911. De combinatie van langdurige droogte, hoge temperaturen, moeilijk toegankelijk terrein en de brandbaarheid van de veenbodem maakte de bestrijding bijzonder complex. Door de omvang van de brand werd een grootschalige internationale hulpoperatie opgezet. Naast de Belgische hulpdiensten waren onder meer Nederlandse, Duitse, Luxemburgse en Zweedse eenheden bij de bestrijding betrokken.
Duitsland In juli en augustus ontstonden door de aanhoudende droogte en hoge temperaturen op verschillende plaatsen in Duitsland natuurbranden.
Midden juli brak bij Iserlohn in Noordrijn-Westfalen een natuurbrand uit waarbij ongeveer 10.000 vierkante meter bos verloren ging. Meer dan 300 hulpverleners werden ingezet en de bestrijding duurde bijna twee dagen.
Eind juli woedde bij Oppenau in Baden-Württemberg een natuurbrand van ongeveer 3.000 vierkante meter. Meer dan 200 hulpverleners en een helikopter werden ingezet.
In augustus werd ook Saksen getroffen. Bij Plauen ontstond een natuurbrand die zich uitbreidde tot ongeveer zeven hectare. Voor de bestrijding werden meer dan honderd brandweerlieden en twee blushelikopters ingezet.
Op 13 augustus brak tussen Benneckenstein en Trautenstein in de Harz een natuurbrand uit. Ongeveer vijf hectare bos werd getroffen. Meer dan 250 brandweerlieden, 56 voertuigen en een blusvliegtuig werden ingezet. Na meerdere dagen nablussen was de brand op 17 augustus volledig geblust.
Frankrijk
miniatuur|Natuurbrand nabij Parijs, in het bos van Fontainebleau.
Fontainebleau De natuurbrand in Fontainebleau was een reeks natuurbranden die op 12 juli 2026 uitbrak in het bosmassief van Fontainebleau, ongeveer 60 kilometer ten zuiden van Parijs. De eerste brandhaarden ontstonden in het staatsbos van Trois-Pignons, waarna op 13 juli ook brand uitbrak bij La Faisanderie. Volgens het Franse Office national des forêts (ONF) werd ongeveer 2.000 hectare, circa 10% van het bosmassief, door de branden getroffen. De autoriteiten sloten delen van de bossen tijdelijk voor het publiek en startten een onderzoek naar de oorzaak van de branden.
De laatste etappe van de Ronde van Frankrijk 2026 (26 juli) werd ingekort wegens de grote druk op de hulpverleners. Enkel de plaatselijke ronden in Parijs blijven over. De enorme natuurbrand leidde voor het eerst bij natuurbranden in Europa tot een pyrocumulonimbus, een wolk die voordien enkel was waargenomen in Australië en Noord-Amerika.
Gironde miniatuur|Natuurbrand bij Trévillach op 5 juli 2026. Op 25 juli had de natuurbrand in het Franse departement Gironde bijna 20.000 hectare verwoest en naderde het vuur de omgeving van Bordeaux. En de daaropvolgende dagen nam het verbrande gebied toe tot ongeveer 42.000 hectare.
De brand ontwikkelde een pyrocumulonimbus, een onweerswolk die door de extreme hitte van een natuurbrand kan ontstaan. Het verschijnsel zorgde ervoor dat de brand zijn eigen weersomstandigheden genereerde. De wolk kon onder meer bliksem en sterke wind veroorzaken, waardoor nieuwe brandhaarden konden ontstaan en de richting van het vuur plotseling kon veranderen. Volgens de lokale brandweer was dit de eerste keer dat een pyrocumulonimbus in Frankrijk werd waargenomen.
Griekenland In augustus werd Griekenland door meerdere natuurbranden getroffen. In Chalkidiki moesten op 14 augustus meer dan 300 mensen vanuit de badplaats Siviri per boot worden geëvacueerd. Twee dagen later ontstonden grote branden op het eiland Salamis, waarbij twee mensen omkwamen en meer dan 500 mensen werden geëvacueerd. Bij de bestrijding werden bijna 200 brandweerlieden en veertien blusvliegtuigen en -helikopters ingezet.
Groenland In Groenland, gelegen in het Noordpoolgebied en deel van het Koninkrijk Denemarken, werden in juni verschillende branden gemeld in toendragebied, onder andere nabij Kujalleq. Een belangrijke ontstond op 14 juni nabij Sisimiut. Hiervoor opende Copernicus een Emergency Management Service. Vergeleken met de branden in het Middellandse Zeegebied waren de Groenlandse branden eerder klein, maar uitzonderlijk vanwege hun hoge noordelijke ligging en de ongebruikelijk vroege timing. Door de weinige sneeuwval en regen waren de bodem en vegetatie zeer droog, wat de regio zeer vatbaar voor branden maakte.
Italië Op het eiland Sicilië brandde zo'n 16.800 hectare op tussen 15 en 21 juli. Voornamelijk door relatief gezien kleinere branden staat het totaal aantal opgebrande gebied op 83.977 hectare.
Kroatië