miniatuur|Servies geschonken door Hemmingson aan prinses Wilhelmina van Pruisen. Ulrich Gualtherus Hemmingson (Batavia, 11 april 174111 april is de dag waarop hij gedoopt is. – Den Haag, 11 april 1799) was een koopman in dienst van de VOC. Hij werkte ruim 25 jaar in de VOC-factorij in Kanton. Als liefhebber van Chinese kunstvoorwerpen fungeerde hij als leverancier voor verzamelaars in Nederland. Een deel van het interieur van de Chinese Zaal van Huis ten Bosch werd in 1791 door hem geschonken aan Wilhelmina van Pruisen, de vrouw van stadhouder prins Willem V.

Hemmingsons vader, ook Ulrich geheten, was een in 1698 in Stockholm geboren Zweed die in 1733 in dienst trad van de VOC. Voor de Kamer van Zeeland voer hij als adelborst naar Batavia, waar hij carrière maakte als militair in veldtochten op Java. Hij trouwde met Clara Maria Verbeek, dochter van de opzichter van de korenmolen, en kreeg met haar twee dochters en een zoon, Ulrich Gualtherus. Hemmingson senior ging vervolgens uit dienst en was van 1745 tot 1753 weer in Europa, terwijl Clara met de kinderen in Batavia bleef. Toen hij terug in dienst kwam werd hij benoemd tot bevelhebber van de militairen in Ceylon in de rang van majoor, en nam hij zijn 14-jarige zoon vanuit Batavia met zich mee als ‘soldaat van de pen’,Klerk bij de militie. in dienst van de Kamer van Amsterdam. In februari 1760 stierf vader Hemmingson en keerde zijn zoon terug naar Batavia, waar hij als assistent op de generale secretarie werd aangesteld. Een jaar later overleed ook zijn moeder.

Kanton miniatuur|De factorijen in Kanton. In 1765 ging Hemmingson voor het eerst naar Nederland, waar hij door de in 1755 opgerichte Chinasche Commissie werd aangesteld als assistent boekhouder op de VOC-factorij in Kanton, waarschijnlijk door bemiddeling van zijn zwager Marten Huysvoorn,De weduwnaar Huysvoorn was getrouwd met Hemmingsons zus Anna Ulrica, die echter al vroeg stierf in 1765. die als onder meer opperhoofd van het Japanse Dejima veel ervaring had in de regio. De factorij in Kanton stond in een rij van dertien Europese factorijen buiten de stadsmuren aan een brede stenen kade langs de Parelrivier. De factorijen van de VOC en de Britse EIC waren de grootste. Ze stonden naast elkaar en hadden een grote overdekte galerij aan de voorkant. Aan de achterzijde waren pakhuizen. De VOC verkocht in Kanton peper en tin en kocht er thee om te verkopen in Europa. Onder het beleid van de Chinasche Commissie werd ook rechtstreeks vanuit Nederland naar Kanton gevaren en werd deels betaald met zilver. Handel werd gedreven met kooplieden van het Hang-gilde, de 'Hangisten', die voor dat privilege veel geld betaalden aan de lokale autoriteiten.

Boekhouder miniatuur|327x327px|Zijden gordijn uit Kanton. Na in 1767 nogmaals een bezoek aan Nederland gebracht te hebben keerde Hemmingson als eerste boekhouder weer terug naar Kanton. Vanaf 1773 mocht hij meebeslissen in de zogeheten Commercie Raad van de factorij, die bestond uit de directeur, de supercarga's, de carga's en de oudste assistenten.De rang koopman werd in Kanton aangeduid als carga. Opperkoopman was supercarga. Hoe hoger hij in de rangorde steeg, hoe meer mogelijkheden hij ook kreeg om handel te drijven voor eigen rekening met de aanzienlijke erfenis van zijn ouders. De particuliere handel door medewerkers in producten die geen deel uitmaakten van de VOC-handel werd oogluikend toegestaan vanwege de lage salarissen. In Kanton waren de mogelijkheden extra groot vanwege de hoogwaardige handwerkproducten die er te koop waren en omdat Europeanen er van de autoriteiten slechts mochten verblijven tijdens het handelsseizoen tussen oktober en maart. De andere helft van het jaar brachten ze door in Macau en reisden ook regelmatig naar Batavia en terug naar Nederland met de gelegenheid om eigen handelswaar mee te nemen. Ook de jonkenvaart op Batavia bood veel mogelijkheden. Hemmingson ging zes keer op en neer naar Nederland. Daar had hij al vanaf 1769 nauw contact met de Haagse verzamelaar van Chinese curiositeiten Jean Theodore Royer, die hij tal van Chinese objecten leverde. Hij vervulde voor hem dezelfde rol als Johan van Hoorn een eeuw eerder voor Nicolaas Witsen had gedaan. Royers verzameling was de basis voor het 19e eeuwse Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden en werd in 1883 verspreid over andere musea.

In 1782 was Hemmingson vanwege jicht met ziekteverlof in Batavia en liet toen in de Lutherse kerk twee zoontjes en zijn waarschijnlijk uit de Chinese gemeenschap van Batavia afkomstige vrouw dopen. Zij kreeg daarbij de naam Petronella Pieters. De Chinezen in Batavia onderhielden nauwe handelsrelaties met Macau en Kanton door middel van de jonkenvaart, wat Hemmingsons privéhandel ongetwijfeld ten goede kwam. Vermoedelijk trad Petronella op als tussenpersoon bij zijn transacties met Chinese kooplieden in Batavia en in Macau, waar het gezin woonde. In 1786 werd nog een dochtertje geboren. De zoontjes werden toen ze wat ouder werden naar Nederland gezonden voor een opleiding. Royer trad op als hun voogd.

Directeur miniatuur|De factorijen in Kanton. De Vierde Engels-Nederlandse oorlog (1780-1784) bracht veel schade toe aan de handel van de VOC, ook aan die op China. Bovendien ging het met de handel in Kanton toch al slecht vanwege gebrek aan zilver en de toegenomen concurrentie door de Britse 'country traders' (particuliere kooplieden) en de recent onafhankelijk geworden Amerikanen. Hemmingson had in 1784 tijdens een bezoek aan Nederland al aangegeven nog één keer naar Kanton te willen en dan uit dienst te gaan. In december vertrok hij als supercarga weer naar Kanton met het schip de Barbestein. Daar nam hij na de dood van de directeur Pieter Kintsius het directeurschap waar, tot hij in 1790 zelf tot directeur benoemd werd. Eerste supercarga werd toen Andreas van Braam Houckgeest, die hem ook zou opvolgen als directeur. De bazige Van Braam-Houckgeest en de bedaarde Hemmingson kregen al snel grote ruzie, zodat Hemmingson na zijn aftreden op 12 december 1790 zijn toevlucht zocht in de Britse factorij. Hij had daar zakenpartners en was er erg geliefd. Vlak voor zijn vertrek naar Nederland trouwde hij met Petronella Pieters en wettigde hij zijn kinderen, die inmiddels vier in getal waren. Voor de plechtigheid trok de hele Commercie Raad naar Macau, omdat Petronella net als Europese vrouwen van de Chinese autoriteiten niet in Kanton mocht komen.

Den Haag miniatuur|290x290px|De Chinese Zaal in Huis ten Bosch, met de bank en stoelen geschonken door Hemmingson. In Den Haag kochten Hemmingson en zijn vrouw een landhuis met koetshuis en stal net buiten de stad aan het Bezuidenhout, en verkeerden in de hogere Haagse kringen. In juli 1791, vlak na zijn aankomst, deed hij een grote partij Chinese geborduurde zijde, porselein en lakwerk cadeau aan prinses Wilhelmina van Pruisen, de vrouw van stadhouder prins Willem V. Vermoedelijk deed hij dat op aanraden van Royer, die een overtuigd orangist was in deze tijd van politieke strijd tussen orangisten en patriotten. De zijde, die geborduurd was met Chinese landschappen en figuren, werd gebruikt om een aantal zwart met goud gelakte zitmeubels te bekleden. Het servies van 1454 stuks porselein was versierd met afbeeldingen van de familiewapens van de prins en de prinses, met een kroon erboven en vastgehouden door een leeuw en een wildeman. Wilhelmina was zeer onder de indruk en gebruikte het geschenk voor de verfraaiing van Huis ten Bosch, die toen nog volop aan de gang was. De meubels staan in de Chinese Zaal. Van de zijde werden ook gordijnen gemaakt voor de Japanse Zaal, maar die zijn vanwege de kwetsbaarheid niet meer in gebruik en worden bewaard onder geklimatiseerde omstandigheden.

In Den Haag werden nog drie kinderen geboren, terwijl de twee in Azië geboren meisjes er stierven op 6- en 16-jarige leeftijd, aan ‘galkoorts’ en tuberculose. Een van de naar Nederland gezonden zoontjes was al eerder op 7-jarige leeftijd overleden. Op 11 april 1799 stierf Hemmingson zelf. Hij werd begraven op de begraafplaats Ter Navolging in Scheveningen.

Petronella hertrouwde in 1803 in de kerk van Scheveningen met de veel jongere Gezinus Michorius. Ze stierf in 1810. Michorius kreeg echter niets van de erfenis, die naar Hemmingsons overlevende kinderen ging. Uit de nalatenschap van Hemmingson en zijn vrouw blijkt dat ze naast veel Chinese kunstobjecten een vermogen bezaten van 870.000 gulden in de vorm van obligaties, wissels en persoonlijke leningen. Hun oudste zoon Ulrich Theodore verhuisde naar Engeland en nam de Britse nationaliteit aan. Na een eerste huwelijk met een adellijk meisje dat vroeg stierf, trouwde hij met de gravin de Marguenat, lid van een Hugenotenfamilie in Engeland, en stierf in juni 1869 in Brunswijk. Zijn zus Clara Petronella trouwde met graaf Eduard de Marguenat, vestigde zich in Duitsland en stierf in 1866 in Isselburg.

Categorie:Persoon uit de geschiedenis van de VOC Categorie:Persoon in de Nederlanden in de 18e eeuw