Belgian Jewish Committee (BJC; Frans: Comité Juif Belge) was een organisatie van uit België afkomstige Joden in ballingschap, die eind 1943 in Londen werd opgericht tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het comité bracht in Groot-Brittannië verblijvende Joden met banden met België samen en zette zich in voor de naoorlogse terugkeer van personen die vóór de oorlog officieel in België hadden gewoond.
Het BJC onderhield contacten met de Belgische regering in ballingschap, het Belgian Jewish Representative Committee (BJRC) in New York en het World Jewish Congress (WJC). In 1944 sloot het comité zich bij het WJC aan.
Het BJC moet niet worden verward met het Joodsch Verdedigingscomiteit (JVC; Frans: Comité de Défense des Juifs), een clandestiene verzets- en hulporganisatie die vanaf 1942 in het door Duitsland bezette België actief was.
Oprichting en samenstelling Het comité werd eind 1943 in Londen opgericht. Herman (Gedalia) Schamisso was voorzitter en Romi Goldmuntz was penningmeester. Beiden waren afkomstig uit de Antwerpse diamantsector en verbleven tijdens de oorlog in Groot-Brittannië.
Tot de overige in de bronnen genoemde leden behoorden Jaak Nutkewitz, M. Fischer, P. Moed, S. Obstfeld, J. Richtiger, E. Rubinstein en O. Strassberg. Kopel Spira was aanvankelijk bij het comité betrokken, maar legde zijn functie neer wegens een meningsverschil over de aansluiting van het BJC bij het World Jewish Congress.
Doelstellingen en werkzaamheden Het BJC wilde de terugkeer mogelijk maken van alle Joden die vóór de oorlog officieel in België hadden verbleven. Kort na de oprichting verkreeg het comité volgens historica Veerle Vanden Daelen van de Belgische regering in ballingschap de toezegging dat deze personen na de oorlog naar België zouden mogen terugkeren.
De activiteiten van het comité hielden mede verband met het herstel van de Antwerpse diamantsector. Een groot deel van de vooroorlogse Antwerpse diamantnijverheid bevond zich tijdens de oorlog in ballingschap, onder meer in Londen en New York. In een brief van 27 juli 1944 aan het BJRC pleitten Schamisso en Goldmuntz voor een snelle terugkeer van de in het buitenland verblijvende diamantbewerkers en diamantairs.
Hoewel het BJC zich formeel inzette voor alle vooroorlogse Joodse inwoners van België, concludeert Vanden Daelen dat de Belgische overheid in de praktijk meer medewerking verleende aan de terugkeer van personen die voor de diamantsector van belang waren dan aan die van andere Joodse vluchtelingen.
Na de bevrijding Nog vóór het einde van 1944 reisde Goldmuntz naar Antwerpen om de toestand van de plaatselijke Joodse gemeenschap te onderzoeken. Het BJC stuurde op 20 december 1944 een verslag van zijn bevindingen naar het BJRC in de Verenigde Staten. Daarin werd onder meer aandacht besteed aan de slechte materiële en psychische toestand van teruggekeerde en ondergedoken Joden en aan de noodhulp die plaatselijke Joodse organisaties na de bevrijding verleenden.
Archiefstukken van het World Jewish Congress tonen dat het BJC en het BJRC in 1944 en 1945 met elkaar correspondeerden over onder meer terugkeer, vermiste personen en hulpverlening.
Archieven Documenten van het Belgian Jewish Committee worden onder meer bewaard in de collectie van Yad Vashem en in de archieven van het World Jewish Congress bij het Jacob Rader Marcus Center of the American Jewish Archives. De inventaris van dat laatste archief vermeldt BJC-dossiers uit de periode 1945–1947 en correspondentie tussen het BJC in Londen en het BJRC in New York uit 1944–1945.
Bronnen, noten en/of referenties
Categorie:Jodendom in België Categorie:Tweede Wereldoorlog in België