De Jodenrazzia's in Luik waren arrestatie- en opsporingsacties tegen Joden in Luik en de omliggende gemeenten tijdens de Duitse bezetting van België. Zij maakten deel uit van de Jodenvervolging in België. Een grootschalige zoekactie op 24 september 1942 vormde een keerpunt in de vervolging in de Luikse regio. Op 5 juli 1944 volgde er een laatste grote razzia tegen Joden die tot dan toe aan arrestatie waren ontkomen.
De beschikbare cijfers hebben niet steeds hetzelfde geografische bereik: sommige betreffen de stad Luik, andere Groot-Luik of de ruimere Luikse regio. Tussen augustus 1942 en juli 1944 werden volgens historicus Thierry Rozenblum minstens 717 Joden uit de Luikse regio via de Dossinkazerne in Mechelen naar Auschwitz gedeporteerd. Daarnaast vermeldt hij 91 deportaties vanuit het Franse doorgangskamp Drancy naar Auschwitz.
Achtergrond Bij het begin van de Duitse inval in België op 10 mei 1940 woonden in de 24 gemeenten van Groot-Luik 2.560 Joden op een totale bevolking van 410.232 inwoners. In de stad Luik zelf ging het om 1.906 Joden op 161.073 inwoners. Slechts 8,56 procent van de Joodse bevolking van Groot-Luik had de Belgische nationaliteit; veel anderen hadden onder meer de Poolse, Roemeense, Tsjechoslowaakse, Nederlandse, Hongaarse of Duitse nationaliteit of waren staatloos.
Vanaf het najaar van 1940 voerde de Duitse bezetter anti-Joodse verordeningen in. De gemeentelijke overheden moesten Joden ouder dan vijftien jaar registreren. In Luik gebeurde dit onder burgemeester Joseph Bologne. Rozenblum stelt dat Bologne op 19 november 1940 aan de Duitse autoriteiten bevestigde dat de anti-Joodse verordening werd uitgevoerd en later meldde dat dit in de gemeenten van de Luikse agglomeratie was gebeurd. Hoewel Bologne tegen andere Duitse maatregelen verzet bood en enige terughoudendheid vertoonde bij de invoering van de Jodenster, tekende hij tijdens zijn burgemeesterschap volgens Rozenblum verder geen bezwaar aan tegen de vervolging van Joden. Bologne werd op 1 augustus 1942 als burgemeester afgezet.
De maatregelen in Luik maakten deel uit van de stapsgewijze uitsluiting van de Joodse bevolking in heel België. Tussen oktober 1940 en juni 1942 vaardigde het Duitse militaire bestuur een reeks anti-Joodse verordeningen uit die voor de uitvoering mede op Belgische instellingen steunden. De deportaties werden georganiseerd door de Duitse Sicherheitspolizei-Sicherheitsdienst (Sipo-SD).
Oproepingen en arrestaties in 1942 Op 25 november 1941 richtte de bezetter de Vereniging der Joden in België (VJB) op. De Luikse afdeling fungeerde als tussenschakel tussen de Joodse bevolking en de Duitse autoriteiten. In de zomer van 1942 werden Joden bovendien tot arbeid verplicht. Ongeveer 250 Joden in Luik ontvingen een op 31 juli 1942 gedateerd tewerkstellingsbevel; 141 van hen meldden zich daarop aan.
Eind juli 1942 begon de Luikse afdeling van de VJB Joden op te roepen om zogenaamde Arbeitseinsatzbefehle af te halen. Deze bevelen droegen de betrokkenen op zich naar de Dossinkazerne in Mechelen te begeven. Vanaf 18 augustus gaf vrijwel geen enkele opgeroepen Jood uit de Luikse regio nog gevolg aan deze bevelen. Na 3 september werden geen nieuwe oproepingen meer verstuurd.
De Duitse diensten gingen daarop over tot gerichte arrestaties van personen die niet op de oproepingen waren ingegaan of andere anti-Joodse voorschriften hadden overtreden. Volgens Rozenblum werden in deze fase 97 mensen thuis gearresteerd. Met de eerste tien deportatiekonvooien die tussen 4 en 15 september 1942 uit Mechelen vertrokken, werden 255 Joden uit de Luikse regio weggevoerd.
Zoekactie van 24 september 1942 Omdat de Duitse autoriteiten de resultaten van de eerdere arrestaties onvoldoende vonden, organiseerden zij op 24 september 1942 in Luik een grootschalige zoekactie met als doel zoveel mogelijk Joden te arresteren. Twee dagen later vertrok vanuit de Dossinkazerne een deportatiekonvooi met in totaal 1.742 Joden. Onder de gedeporteerden bevonden zich 101 Joden uit Luik, onder wie zeventien kinderen jonger dan vijftien jaar.
De actie betekende volgens Rozenblum een omslag in de vervolging in Luik. De Duitse autoriteiten gingen systematischer op zoek naar Joden die zich aan de oproepingen en arrestaties hadden onttrokken. De anti-Joodse afdeling IV B 4 van de Sipo-SD in Luik voerde deze opsporing uit en beschikte daarbij over vijf Belgische medewerkers. Rozenblum schat dat ongeveer 177 Joden uit Luik tijdens de daaropvolgende jacht op ondergedoken Joden werden gearresteerd.
Onderduik, verzet en hulp De arrestaties en deportaties zetten steeds meer Joden ertoe aan onder te duiken. Daarbij waren valse identiteitspapieren, onderduikadressen, voedselbonnen en financiële middelen noodzakelijk. Zowel Joodse verzetsorganisaties als niet-Joodse hulpverleners speelden daarbij een rol.
In Luik was onder meer het Joods Verdedigingscomité actief. Daarnaast ontstond in het bisdom Luik vanaf de nazomer van 1942 een katholiek hulpnetwerk, met instemming van bisschop Louis-Joseph Kerkhofs. Tot de organisatoren behoorden priester André Meunier, advocaat Max-Albert van den Berg, Pierre Coune en Georges Fonsny. Zij konden een beroep doen op particulieren en op katholieke instellingen zoals internaten, sanatoria, tehuizen, vakantiekolonies, abdijen en kloosterhuizen. Honderden Joden uit Luik en andere delen van België vonden via deze netwerken onderdak; volgens Rozenblum overleefde het merendeel van hen de oorlog.
Rozenblum berekende dat van augustus tot oktober 1942 513 Joden uit de Luikse regio vanuit Mechelen werden gedeporteerd. Tussen november 1942 en juli 1944 volgden nog 204 personen. Hij schrijft de daling van het aantal deportaties na de eerste maanden mede toe aan het massaler onderduiken en aan de hulp van verzetslieden en andere inwoners. Volgens zijn onderzoek droeg deze solidariteit bij aan de redding van 67 procent van de Joden uit de Luikse regio.
Razzia van 5 juli 1944 Op 5 juli 1944, ongeveer twee maanden voor de bevrijding van Luik, organiseerden de Duitse bezettingsdiensten een laatste grote razzia in de Luikse regio. De actie was gericht tegen Joden die tot dan toe aan arrestatie waren ontkomen. Onder hen bevonden zich volgens Kazerne Dossin relatief veel Joden met de Belgische nationaliteit. Tijdens de razzia werden enkele tientallen mensen gearresteerd.
Tot de arrestanten behoorden het Luikse echtpaar Coussel Karny en Yocheved Chamech. Zij waren in september 1942 al eens gearresteerd, maar toen vanwege hun Belgische nationaliteit weer vrijgelaten. Na hun arrestatie op 5 juli 1944 werden zij opgesloten in de Duitse afdeling van de citadel van Luik en op 26 juli naar de Dossinkazerne overgebracht. Op 31 juli werden zij met transport XXVI naar Auschwitz-Birkenau gedeporteerd. Dit was het laatste Jodentransport dat tijdens de bezetting vanuit België vertrok. Beiden overleefden de deportatie niet.
Deportaties uit de Luikse regio Voor de gehele periode van augustus 1942 tot juli 1944 telt Rozenblum minstens 717 Joden uit de Luikse regio die vanuit Mechelen naar Auschwitz werden gedeporteerd: 513 tussen augustus en oktober 1942 en 204 tussen november 1942 en juli 1944. Daarnaast vermeldt zijn overzicht 91 personen uit de Luikse regio die tussen 5 juni 1942 en 30 juni 1944 via Drancy naar Auschwitz werden gedeporteerd.
Dezelfde studie vermeldt daarnaast 22 Joden uit de regio die in België of Frankrijk omkwamen door onder meer executies, beschietingen, bombardementen, tijdens een ontsnapping of onder onduidelijke omstandigheden. Voor de gevolgen van de genocide als geheel noemt Rozenblum ongeveer 733 Joden uit de regio die door de Endlösung werden getroffen, onder wie 96 kinderen jonger dan vijftien jaar. Het grootste deel van de vervolgde en gedeporteerde Luikse Joden had geen Belgische nationaliteit.
Zie ook Jodenrazzia's in Antwerpen Brusselse jodenrazzia Mislukte Jodenrazzia in Charleroi
Externe link Razzia’s WOII weinig herdacht in ons land (VRT) Joden in Luik tijdens de bezetting (1940-1944)
Noten en referenties
Categorie:Holocaust in België Categorie:Geschiedenis van Luik Categorie:Razzia