De mislukte Jodenrazzia in Charleroi was een arrestatieactie van de Duitse bezetter tegen de Joodse bevolking van Charleroi op 23 september 1942, tijdens de Holocaust in België. De actie maakte deel uit van de golf van razzia's en deportaties die in de zomer van 1942 in België begon. De razzia in Charleroi mislukte grotendeels doordat leden van het Joodse verzet een door de Duitse Sipo-SD verlangde adressenlijst vervalsten en vervolgens inwoners waarschuwden om hun woningen te verlaten.
Volgens historicus Vincent Vagman vielen bij de razzia 27 personen in Duitse handen, terwijl honderden anderen aan arrestatie ontsnapten. De mislukking van deze afzonderlijke razzia betekende niet dat de Joodse bevolking van Charleroi aan de vervolging ontsnapte. Historicus Benoît Majerus vermeldt voor de gehele bezettingsperiode dat 38 procent van de geregistreerde Joden in Charleroi werd gedeporteerd.
Achtergrond De Joodse gemeenschap in Charleroi was in belangrijke mate ontstaan door immigratie na de Eerste Wereldoorlog. Veel Joodse inwoners waren afkomstig uit Polen, Rusland en Roemenië en hadden zich in het industriële bekken van Charleroi gevestigd. In 1928 kreeg Charleroi een officieel erkende Israëlitische gemeenschap. Rond 1940 telde de Joodse gemeenschap volgens Vagman ongeveer 3.000 personen. Een academische bespreking van Vagmans studie over de geschiedenis van de Joden in Charleroi benadrukt eveneens het overwegend uit immigranten bestaande en relatief bescheiden sociaaleconomische karakter van deze gemeenschap.
Na de Duitse bezetting van België werden ook in Charleroi de anti-Joodse verordeningen ingevoerd. Bij een registratie werden in de agglomeratie Charleroi 972 volwassen Joden geregistreerd. Vervolgens werden Joodse handelszaken geliquideerd en werd een lokale afdeling opgericht van de Association des Juifs en Belgique (AJB), in het Nederlands de Vereeniging van Joden in België. In het voorjaar van 1942 telde de plaatselijke AJB volgens Vagman 1.112 geregistreerde personen. De handelaar Jules Mehlwurm was voorzitter en Max Katz secretaris.
De Jodenster werd in Charleroi vanaf juni 1942 verspreid door de rexistische autoriteiten, die op dat moment Groot-Charleroi bestuurden. Tegelijkertijd werd de vervolging verder verscherpt. Op 31 juli 1942 werden Joodse mannen door het Arbeidsbureau van Charleroi opgeroepen voor een verplicht medisch onderzoek. Ondanks waarschuwingen van het verzet verschenen ongeveer tweehonderd jonge mannen. Zij werden naar werkkampen van de Organisation Todt in de omgeving van Boulogne-sur-Mer overgebracht om aan de Atlantikwall te werken.
Joods verzet in Charleroi In Charleroi bestond vanaf 1940 een clandestiene Joodse verzetsorganisatie, Solidarité juive. De kern werd gevormd door de communistische militanten Pinkus, ook Pierre Broder genoemd, Shmerl of Sem Makowski en Max Katz. De organisatie ging later deel uitmaken van de plaatselijke structuur van het Comité de Défense des Juifs, het Joods Verdedigingscomité.
In het voorjaar van 1942 waren Katz, Broder en Makowski doorgedrongen tot de plaatselijke afdeling van de AJB. Katz was er secretaris geworden. Daardoor beschikte het verzet over toegang tot de organisatie die door de bezetter werd gebruikt voor de uitvoering van verschillende anti-Joodse maatregelen.
Razzia van 23 september 1942 Op de avond van 22 september 1942 werd AJB-voorzitter Jules Mehlwurm bij Heinrich Knapkotter, de Judenreferent van de Sipo-SD in Charleroi, ontboden. Knapkotter droeg hem op de volgende ochtend om negen uur terug te keren met een lijst van alle Joden in de stad. Na zijn vertrek nam Mehlwurm contact op met Max Katz, die samen met Pierre Broder en Sem Makowski naar hem toe kwam.
De vier mannen werkten die nacht aan een vervalste lijst die de Duitse autoriteiten op verkeerde adressen moest afsturen. Op de ochtend van 23 september bracht Mehlwurm de lijst naar Knapkotter. Hij werd daarna vrijgelaten, droeg de kas van de plaatselijke AJB over aan de verzetsleden en dook met zijn gezin onder in de streek van Namen.
Ondertussen verzamelden de Duitse autoriteiten vrachtwagens en eenheden van de Feldgendarmerie voor de arrestatieactie. Katz, Broder en Makowski gingen volgens Vagman per fiets de Joodse inwoners waarschuwen. Zij kregen de opdracht onmiddellijk hun woning te verlaten en werden waar mogelijk naar onderduikadressen verwezen.
Toen de Duitse eenheden in het begin van de middag met de razzia begonnen, troffen zij op basis van de vervalste lijst leegstaande woningen en adressen van niet-Joodse bewoners aan. Daarna verplaatsten de Duitsers de actie naar de Joodse wijk. Een groot deel van de beoogde arrestanten had de woning toen al verlaten.
Arrestaties en deportatie Volgens Vagman werden 27 personen die niet aan de arrestatie wisten te ontkomen door de Duitsers opgepakt. Hij verbindt deze arrestaties met het elfde deportatiekonvooi vanuit Kazerne Dossin in Mechelen. Kazerne Dossin vermeldt dat transport XI op 26 september 1942 vertrok met 1.742 gedeporteerden; van de gedeporteerden van dit gehele transport worden dertig kampoverlevenden vermeld.
De verzetsactie verhinderde daarmee een veel grotere arrestatie tijdens de razzia van 23 september. De onderduik betekende echter niet het einde van het gevaar. De plaatselijke Joodse verzetsorganisatie bleef volgens Vagman tot aan de bevrijding betrokken bij de bescherming en ondersteuning van honderden onderduikers.
Deportaties uit Charleroi tijdens de bezetting De mislukte razzia van september 1942 vormde slechts één episode binnen de vervolging van de Joodse bevolking van Charleroi. Voor de gehele bezettingsperiode kwam Majerus, op basis van eerder onderzoek van onder anderen Lieven Saerens en Maxime Steinberg, tot een deportatiepercentage van 38 procent van de geregistreerde Joden in Charleroi. Ter vergelijking noemt hij 65 procent in Antwerpen, 37 procent in Brussel en 35 procent in Luik. Deze percentages hebben betrekking op de geregistreerde Joodse bevolking en mogen daarom niet rechtstreeks worden gelijkgesteld aan de schatting van ongeveer 3.000 personen voor de gehele Joodse gemeenschap van Charleroi rond 1940.
Bij de rol van plaatselijke overheden moet onderscheid worden gemaakt tussen verschillende instellingen en vormen van medewerking. De rexistische autoriteiten van Groot-Charleroi waren onder meer betrokken bij de verspreiding van de Jodenster en het plaatselijke Arbeidsbureau dat Joodse mannen voor verplichte arbeid opriep. Majerus merkt in zijn vergelijkende studie daarentegen op dat in het eerdere onderzoek van Saerens voor Charleroi geen spoor was gevonden van medewerking door de gemeentelijke politie aan dergelijke arrestatieoperaties.
Betekenis De gebeurtenissen van 22 en 23 september 1942 gelden in de geschiedschrijving over de Joodse gemeenschap van Charleroi als een voorbeeld van georganiseerd Joods verzet tegen de deportaties. De actie berustte op de combinatie van infiltratie in de lokale AJB, het vervalsen van de door de Duitse autoriteiten gevraagde informatie, snelle waarschuwingen en het organiseren van onderduik. De beperkte omvang van de arrestaties tijdens deze specifieke razzia staat naast het gegeven dat gedurende de gehele Duitse bezetting een aanzienlijk deel van de geregistreerde Joodse bevolking van Charleroi alsnog werd gedeporteerd.
Zie ook Jodenrazzia's in Antwerpen Brusselse Jodenrazzia Jodenrazzia's in Luik
Externe link Razzia’s WOII weinig herdacht in ons land (VRT) De mislukte razzia in Charleroi, een unieke actie in bezet België
Bronnen
Categorie:Holocaust in België Categorie:Geschiedenis van Charleroi Categorie:1942 Categorie:Razzia