Piano Solo was de naam van een geheim Italiaans noodplan dat in 1964 binnen de Carabinieri werd voorbereid onder verantwoordelijkheid van generaal Giovanni De Lorenzo, destijds commandant-generaal van de Carabinieri en voormalig hoofd van de militaire inlichtingendienst Servizio Informazioni Forze Armate (SIFAR). Het plan voorzag in een uitzonderlijke inzet van de Carabinieri bij een ernstige binnenlandse crisis en moest uitsluitend door dit korps worden uitgevoerd; aan dat laatste ontleende het de naam Solo.
Piano Solo ontstond tegen de achtergrond van de politieke spanningen rond het eerste centrum-linkse kabinet van premier Aldo Moro, waarin de Italiaanse Socialistische Partij (PSI) voor het eerst rechtstreeks aan de regering deelnam. President Antonio Segni stond kritisch tegenover delen van het hervormingsprogramma van centrum-links en vreesde ernstige maatschappelijke onrust en een verdere versterking van de communistische linkerzijde. De voorbereiding van het plan vond plaats in nauw contact met Segni. Over de precieze politieke bedoeling ervan bestaat echter historiografische discussie. De latere geschiedschrijving heeft de opvatting dat in de zomer van 1964 een concrete militaire staatsgreep op het punt stond te worden uitgevoerd in belangrijke mate genuanceerd, maar heeft tegelijkertijd gewezen op het uitzonderlijke en politiek problematische karakter van de voorbereidingen.
Achtergrond De Italiaanse politiek werd tijdens de Koude Oorlog gekenmerkt door een sterke tegenstelling tussen de regeringspartijen, met name de Democrazia Cristiana (DC), en de omvangrijke Italiaanse Communistische Partij (PCI). In december 1963 vormde Aldo Moro zijn eerste regering met rechtstreekse deelname van de socialisten. Het kabinet-Moro I betekende daarmee een verdere ontwikkeling van de zogenoemde apertura a sinistra, de opening van de christendemocratische regeringscoalitie naar links.
President Antonio Segni wilde dat de centrum-linkse samenwerking een gematigd karakter behield. Volgens zijn biografie in het Dizionario Biografico degli Italiani fungeerde hij als politiek referentiepunt voor uiteenlopende groepen die bezorgd waren over de regeringsdeelname van de PSI, waaronder delen van de hogere bureaucratie, het leger en het economische establishment.
Giovanni De Lorenzo had vóór zijn benoeming tot commandant-generaal van de Carabinieri van 1955 tot 1962 leidinggegeven aan de SIFAR. Tijdens zijn directeurschap breidde de dienst zijn middelen en invloed uit en nam de politieke persoonsregistratie toe. Als commandant van de Carabinieri liet De Lorenzo in 1964 Piano Solo voorbereiden.
Voorbereiding en inhoud Piano Solo bouwde voort op bestaande ideeën over noodmaatregelen voor de openbare orde, maar gaf de Carabinieri een uitzonderlijk zelfstandige rol. Historicus Mimmo Franzinelli heeft het plan beschreven als een vergaande en autonome uitwerking van een eerder politieplan voor buitengewone noodsituaties. De benaming Solo verwees ernaar dat voor de uitvoering alleen de Carabinieri zouden worden ingezet.
Volgens de beschikbare reconstructies voorzag het plan in het onder controle brengen of beveiligen van voor de staat en de communicatie belangrijke locaties en in maatregelen tegen personen die als gevaarlijk of subversief werden beschouwd. Treccani beschrijft het plan als een mogelijke manier om de Carabinieri in een ernstige noodsituatie militaire controle te laten uitoefenen en vermeldt tevens politieke activisten die voor arrestatie in aanmerking zouden komen.
Een van de meest omstreden aspecten betreft de zogenoemde enucleandi, personen die bij een buitengewone noodsituatie preventief moesten worden afgezonderd of geïnterneerd. In de geschiedschrijving is veelvuldig gesproken over een lijst van 731 personen, onder wie communistische en vakbondsfunctionarissen en enkele intellectuelen. De exacte relatie tussen deze lijst en de documenten die formeel tot Piano Solo behoorden, is evenwel betwist. In latere parlementaire documentatie werd erop gewezen dat de lijst niet meer beschikbaar was en werd bestreden dat iedere bestaande veiligheidslijst zonder meer als onderdeel van Piano Solo kon worden beschouwd.
Dat onderscheid is van belang omdat verschillende soorten noodplannen en veiligheidsregisters in Italië al vóór 1964 bestonden. De precieze inhoud, uitvoerbaarheid en institutionele status van Piano Solo zijn daardoor onderwerp gebleven van discussie tussen parlementaire onderzoekers en historici.
Regeringscrisis van 1964 Op 26 juni 1964 ontstond een regeringscrisis nadat het eerste kabinet-Moro zijn parlementaire basis verloor bij een conflict over de financiering van het onderwijs. De onderhandelingen over een nieuwe regering verliepen in een gespannen politiek klimaat. Binnen delen van de christendemocratie en daarbuiten bestond verzet tegen voortzetting van de centrum-linkse coalitie, terwijl onder meer werd gesproken over de mogelijkheid van een tijdelijke of technische regering.
In deze periode speelde De Lorenzo een opvallende rol. Franzinelli concludeerde op basis van archiefmateriaal dat diens optreden vooral politieke betekenis kreeg: de mogelijkheid van buitengewone maatregelen versterkte de druk op de partijen die onderhandelden over de nieuwe coalitie. Tegelijkertijd beoordeelde hij de militaire dimensie van Piano Solo als minder ver ontwikkeld dan latere voorstellingen van een op handen zijnde klassieke staatsgreep suggereerden.
De crisis eindigde niet met de installatie van een militair of presidentieel noodregime. Moro vormde opnieuw een centrum-linkse regering. Het Tweede kabinet-Moro trad op 22 juli 1964 aan, opnieuw met Pietro Nenni als vicepremier. Volgens Franzinelli droeg de crisis er niettemin toe bij dat de voortgezette centrum-linkse samenwerking een gematigder karakter kreeg.
Openbaarmaking Piano Solo bleef enkele jaren buiten de publieke openbaarheid. In 1967 publiceerde het weekblad L'Espresso artikelen van journalist Lino Jannuzzi, onder verantwoordelijkheid van directeur Eugenio Scalfari, waarin De Lorenzo en Segni ervan werden beschuldigd in 1964 voorbereidingen voor een staatsgreep te hebben getroffen.
De publicaties veroorzaakten een omvangrijk politiek en juridisch conflict. De affaire leidde tot debatten in het parlement, gerechtelijke procedures en verschillende onderzoeken naar zowel Piano Solo als de activiteiten van de SIFAR.
De parlementaire aandacht mondde uiteindelijk uit in de instelling van de Commissione parlamentare d'inchiesta sugli eventi del giugno-luglio 1964, doorgaans aangeduid als de commissie-Alessi naar haar voorzitter Giuseppe Alessi. De commissie werd ingesteld bij wet van 31 maart 1969 en kreeg onder meer de opdracht na te gaan welke initiatieven en maatregelen in juni en juli 1964 op het gebied van openbare orde en staatsveiligheid waren genomen en of het optreden van de SIFAR in strijd was geweest met de geldende regels.
De commissie bestond uit negen afgevaardigden en negen senatoren. Aan het einde van haar werkzaamheden bracht zij één meerderheidsrapport en vier minderheidsrapporten uit. De verschillende rapporten weerspiegelden de politieke en inhoudelijke verdeeldheid over de interpretatie van de gebeurtenissen.
Een van de minderheidsrapporten werd later opnieuw uitgegeven als Dossier "Piano Solo", met documenten over De Lorenzo, de Carabinieri, de SIFAR en de gebeurtenissen van de zomer van 1964.
Declassificatie en latere onderzoeken Een deel van het onderzoeksmateriaal over de affaire bleef lange tijd geheim of was voorzien van weglatingen. Eind oktober 1990 liet de regering van Giulio Andreotti documenten betreffende Piano Solo declassificeren. Parlementaire documentatie uit 2000 vermeldde tevens dat de veelbesproken lijst van enucleandi toen niet meer werd aangetroffen.
De declassificatie en de beschikbaarheid van aanvullende Italiaanse en buitenlandse archiefstukken maakten nieuw historisch onderzoek mogelijk. Daarbij verschoof het debat van de eenvoudige vraag of er een concreet uitvoeringsbevel voor een staatsgreep had bestaan naar bredere vragen over de verhouding tussen de president, veiligheidsdiensten, strijdkrachten en politieke partijen tijdens de regeringscrisis.
Historiografische beoordeling De kwalificatie van Piano Solo is omstreden gebleven. De affaire werd vanaf 1967 vaak voorgesteld als een geplande of mislukte staatsgreep. De beschikbare bronnen tonen in ieder geval dat buitengewone maatregelen werden voorbereid zonder de normale politieke besluitvorming over een dergelijke nationale operatie en dat het plan de Carabinieri een uitzonderlijk zelfstandige positie toekende.
Een belangrijk deel van de recentere Italiaanse geschiedschrijving maakt echter onderscheid tussen een concrete poging de constitutionele orde met geweld omver te werpen en het gebruik van buitengewone veiligheidsvoorbereidingen als politiek drukmiddel. In de biografie van Segni in het Dizionario Biografico degli Italiani wordt gesteld dat de historiografie de voorstelling van een daadwerkelijke golpe heeft gerelativeerd. Het plan bevatte volgens deze beoordeling verontrustende maatregelen, waaronder de internering van als gevaarlijk beschouwde burgers, maar Segni zou niet hebben gestreefd naar de vestiging van een autoritair regime.
Franzinelli komt tot een vergelijkbare maar kritische conclusie. Volgens zijn reconstructie was Piano Solo geen operationeel uitgewerkte klassieke staatsgreep waarmee in juli 1964 rechtstreeks een militaire dictatuur moest worden gevestigd. Hij beschouwt de politieke werking ervan niettemin als belangrijk: de voorbereidingen en de dreiging van een uitzonderlijk optreden droegen bij aan het klimaat waarin over de voortzetting van centrum-links werd onderhandeld.
De internationale dimensie is onder meer onderzocht door Matteo Faini. Zijn studie in Intelligence and National Security plaatst de gebeurtenissen van 1964 in de context van de Amerikaanse regering, de Amerikaanse inlichtingendiensten en hun interne informatie- en besluitvormingsstructuren tijdens de Koude Oorlog.
Door deze uiteenlopende interpretaties wordt Piano Solo in de geschiedschrijving zowel behandeld als een ernstige ontsporing van de veiligheidsapparaten en een instrument van politieke beïnvloeding als, in sterkere interpretaties, een ontwerp voor een mogelijke staatsgreep. Voor een daadwerkelijke uitvoering kwam het plan in 1964 niet tot een militair ingrijpen: de parlementaire regeringsvorming werd voortgezet en het tweede kabinet-Moro trad in juli aan.
Zie ook
Giovanni De Lorenzo Antonio Segni Aldo Moro Carabinieri SIFAR Geschiedenis van de Italiaanse Republiek Koude Oorlog Golpe Borghese
Literatuur
Externe links
Dossier van de parlementaire onderzoekscommissie over de gebeurtenissen van juni-juli 1964 – Camera dei deputati Giovanni De Lorenzo – Dizionario di Storia, Treccani
Categorie:Geschiedenis van Italië Categorie:Italië Categorie:1964