Verzetsgroep Corsica, ook bekend als Verzetsgroep Nanne Halie, was een verzetsgroep in Soerabaja, Nederlands-Indië tijdens de Japanse bezetting van Nederlands-Indië en bestond in de periode 1942 tot 1944. De groep was opgericht door KNIL-kapitein Wil Meelhuysen, die de groep leidde tot december 1942. Zijn leiding werd tot 1943 opgevolgd door die van J.M.J. Ferdinandus. Daarna kwam de leiding in handen van Nick Nenni, die de groep leidde tot 1944. Kenmerk van deze groep was, dat zij was opgedeeld in cellen, waardoor bij verraad van een cel, niet de hele groep werd verraden. Er heerste een zeer strakke militaire discipline binnen de groep.

Oprichting Het vliegtuig van Wil Meelhuysen, kapitein-vliegenier van de ML-KNIL, werd op 3 maart 1942 tijdens het uitvoeren van een bombardement op voor de Japanners interessante doelen door de Japanners neergeschoten. Toen Meelhuysen vrijwel ongeschonden de vaste grond had bereikt, weigerde hij zich over te geven en vluchtte naar de kampong Ngagel te Soerabaja waar zijn schoonzuster woonde. Daar dook hij onder en nam de naam Tahir aan, kleedde zich als een moslim-inlander en ging mede door zijn Indische uiterlijk en taalgebruik moeiteloos op in de massa. Hier richtte hij samen met Pieter Colijn en Corrie Altman-de Moet de Verzetsgroep Corsica op, ook wel de Groep-Meelhuysen genoemd. De groep kende een sterke militaire discipline en bestond uit ruim 80% Ambonezen, die bekend stonden om hun loyaliteit naar het Koningshuis en trouw aan de Nederlandse autoriteiten. De leden waren onderling sterk verbonden door familiebanden en gemeenschapszin. Andere leden waren ondergedoken KNIL-militairen en burgers die buiten de Japanse kampen konden blijven.

Verraad en opvolging Op 21 december 1942 werd hij door infiltrant 'Van der Weijde' (Hendrokoesoema) verraden, maar ontkwam op tijd. Zijn metgezellin en sleutelfiguur van de groep werd op het hoofdkwartier van de groep opgepakt door de Kempeitai. Hoewel zij zware martelingen onderging, sloeg zij niet door. Hierop gaf Meelhuysen zichzelf aan bij de Kempeitai. De volgende dag pleegde hij in zijn cel door het innemen van vergif zelfmoord om zijn medestrijders te beschermen. Zijn leiding werd direct daarna opgevolgd door de destijds 40-jarige onderluitenant der Genie Jozef Mathijs Ferdinand Ferdinandus, maar deze werd samen met medeleden van zijn groep, waaronder Pieter Colijn, door een infiltrant verraden en in februari 1943 gearresteerd. Op 9 november 1943 werden zij op het executieveld in Anjol door de Kempetai geëxecuteerd. In de tussen gelegen tijd werden zij door de Japanners onderworpen aan zware verhoren, martelingen en een schijnproces voor de krijgsraad. Ferdinandus werd opgevolgd door de destijds 47-jarige gepensioneerde assistent-resident Nanne (Nick) Halie, waardoor de verzetsgroep ook wel bekend werd als Verzetsgroep-Nanne Halie.

Verzetsactiviteiten De daden van verzet van de groep bestonden grotendeels uit het verzamelen van inlichtingen over de strategische doelen van de Japanse bezetter en die per radiozender door te sturen naar het hoofdkwartier van de geallieerden in Australië, van waaruit acties konden worden genomen. De zenders waren in november en december 1942 per onderzeeboot Hr.Ms. K XII gedropt tijdens de Tiger Party, waarbij geallieerde agenten deze hadden verspreid onder de verzetsgroepen, zoals ook onder de groep Koops Dekker. De groepsleden van de groep Corsica waren werkzaam in Soerabaja bij het Marine Etablissement Soerabaja, de Droogdok Maatschappij Soerabaja en Machinefabriek Braat, en konden vandaaruit de Japanse vlootbewegingen nauwgezet volgen en doorgeven.

Vuurpijlenaffaire Door het radiografisch doorgeven van doelen, konden de geallieerden nachtelijke bombardementen op doelen in Soerabaja uitvoeren, zij het niet zonder verdere markeringen vanaf de grond. Daartoe werden door het verzet zelfgemaakte vuurpijlen afgeschoten, dat leidde tot de Vuurpijlenaffaire. In de nacht van 21 op 22 juli 1943 staken diverse verzetscellen op meerdere plekken in Soerabaja vuurpijlen af als lichtsignaal voor vier geallieerde bombardementen op strategische Japanse doelen in Soerabaja. Dit leidde tot grote en tragische gevolgen: de Kempeitai en Tokeitai arresteerden honderden verzetsstrijders en burgers; er werden meer dan 100 personen na zware martelingen onthoofd of gefusilleerd, waaronder hele families. Veel kernleden werden hevig gemarteld en overgebracht naar Batavia voor de krijgsraad. Zo werden Flip Bernard, Ferry Pleyel en Bruno Berler, samen met minstens zeven anderen ter dood veroordeeld en op 31 januari 1944 onthoofd. Anderen, zoals Nanne Halie, Johannes Dias, A.S.M. Ingram, Petrus Nanlohy, Jacob Patty, Karel Manuputty en David Tanamal, werden in juni en juli 1944 weggevoerd en geëxecuteerd in de djatibossen van Bodjonegoro. Degene die zijn veroordeling overleefde is Josias Muskita; hij werd na zijn arrestatie door de Kempeitai veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf in plaats van de doodstraf.

Einde van de groep Op 30 november 1944 werd Halie door de Japanners opgepakt. Hij werd op 1 december 1944 gefusilleerd. Veel leden waren toen reeds ook gearresteerd en berecht; de groep was zodanig uiteengevallen dat deze niet meer functioneerde. Het was de langst bestaande verzetsgroep in Nederlands-Indië.

Berechting en overlevenden Na de capitulatie van Japan in augustus 1945 kregen de overlevenden en de daders te maken met de naoorlogse rechtspleging door het heropgerichte Nederlandse gezag in Nederlands-Indië. Direct na de oorlog deed de Politieke Recherche Afdeling (PRA) in Soerabaja onderzoek naar de infiltratie van de groep Corsica. Getuigenissen wezen direct naar Hendrokoesoema als de man die plattegronden en adressen van sleutelfiguren aan de Japanners had doorgespeeld. Collaborateurs en spionnen die voor de Kempeitai hadden gewerkt, werden door Bijzondere Gerechtshoven of de Krijgsraad in Nederlands-Indië berecht. Infiltranten en verraders die de dood van tientallen verzetsmensen op hun geweten hadden kregen zware straffen opgelegd, variërend van langdurige gevangenisstraffen tot de doodstraf.

De overlevende vrouwen binnen de groep, zoals Sok Berg en Godie Meelhuysen (schoonzus van Wil Meelhuysen) waren door de Japanners respectievelijk veroordeeld tot 15 jaar gevangenisstraf in de Soerabaja-gevangenis en aanvankelijk doodstraf, omgezet in langdurige gevangenisstraf. Beiden repatrieerden na de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog naar Nederland. Corrie Altman-de Moet bracht een tijd in gevangenschap door in de Boeloe-gevangenis in Semarang en vertrok na de oorlog eveneens naar Nederland. Haar verzetswerk werd op 21 december 1949 officieel erkend met de toekenning van de Verzetsster Oost-Azië.

Erkenning en onderzoek In tegenstelling tot het verzet in Nederland bleef deze verzetsgeschiedenis van deze groep lang onderbelicht. Sociaal-genealogisch onderzoek door onderzoeker Peter van den Broek ("De verzetsgroep Corsica en de Vuurpijlaffaire") heeft in 2026 de shortlist gehaald voor de publieksprijs Familiehistoricus van het CBG Centrum voor familiegeschiedenis. Dit onderzoek leverde belangrijk bewijs dat het Indisch verzet in Soerabaja tot medio 1944 standhield.

Categorie:Tweede Wereldoorlog Categorie:Verzet Categorie:Nederlands-Indië