Marinus Jacob van Bosse (Amsterdam, 21 maart 1843 – Den Haag, 6 december 1917) was een Nederlands waterbouwkundig ingenieur.
Opleiding en eerste werkkring Hij studeerde aan de Polytechnische School te Delft. Hij studeerde daar af als civiel officier in 1864. Hij ging daarna naar Nederlands-Indië als adspirant ingenieur.Der eerste vier jaar werkte hij in Semarang, daarna op Bangka en naar Pasoeroean. In 1873 ging hij met verlof naar Nederland.
Spoorwegen Tijdens zijn verlof in Nederland heeft hij en concessie aangevraagd voor de aanleg van een spoorlijn van Soerabaja naar Malang en Pasoeroean. De concessieaanvraag deed hij samen met J. J. van Kerkwijk en J. H. Witsenburgh. Maar hij trok die aanvraag in toen hij in 1874 weer naar Nederlands-Indië ging. De bedoelde spoorweg kwam daarna toch tot stand als staatsspoorweg. De gegevens van Van Bosse waren gedeponeerd bij het Departement van Koloniën. Zij vormden de grondslag voor het ontwerp van wet die in november 1874 ingediend werd tot verhoging van der Indische begroting voor 1875 met 1 miljoen gulden, ten behoeve van de aanleg van een spoorlijn tussen Soerabaja, Malang en Pasoeroean. De wet werd door de Tweede Kamer in februari 1875 aangenomen. De spoorlijn kwam in 1879 gereed.
Havenwerken en kustverdediging Na zijn terugkeer in Nederlands-Indië in 1874 heeft hij zich eerst bezig gehouden met de verlenging van strandhoofden. In 1879 kwam hij onder ir. J.A de Gelder betrokken bij de aanleg van de havenwerken bij Tanjung Priok. Hij hield zich met name bezig met het drijvend materieel. Een drukke tijd voor hem kwam in augustus 1883 bij de uitbarsting van de Krakatau, die ook veel schade aan de in aanbouw zijnde havenwerken veroorzaakte. Zijn bemoeiingen bij die ramp leidden de regering er toe hem een tevredenheidsbetuiging voor de door hem bewezen diensten toe te kennen. In 1884 werd hij hoofdingenieur 2e klasse, hij bleef diensthoofd tot de voltooiing van de havenwerken. Daarna werd hij aangesteld tot chef van het Technisch Bureau van het Departement van Burgerlijke en Openbare Werken, maar bleef belast met de leiding van de bouw van de haven infrastructuur. Hij heeft geprobeerd om een afzonderlijke dienst voor havenexploitatie in het leven te roepen, waarbij de kostbare aanleg van de havenkragen en dergelijke voor een deel tot productieve uitgaven zouden kunnen worden gerekend. Maar hiertegen waren bezwaren van fiscale aard geopperd door den dienst van de in- en uitvoerrechten.
Verlof, Perzië en China in 1887 ging hij weer met verlof naar Nederland. In 1888 kreeg hij een aanbod voor een opdracht om naar Perzië te gaan ter bestudering van het vraagstuk der bevaarbaarmaking van de Karoen aan de Perzische golf, maar tijdens de onderhandelingen over deze zaak werd hem door de Gouverneur-generaal Pijnacker Hordijk de vacant geworden betrekking van Directeur der Burgerlijke Openbare Werken aangeboden. Hij was vrij breed geïnteresseerd in waterbouw in Azië, wat ook blijkt uit zijn gedetailleerd artikel luit 1888 over de overstromingen van de Gele Rivier in China. Hij heeft China zelf nooit bezocht.
Directeur B.O.W. Van Bosse is maar 3 jaar directeur van het Departement der B. O.W. geweest. Maar die korte tijd is van grote betekenis geweest voor Nederlands-Indië. Zijn naam is voor altijd verbonden aan een belangrijke stap op het gebied van het irrigatie-wezen op Java: de opmaking in 1890 van het zogenaamde algemeen irrigatieplan.
Algemeen irrigatieplan Er waren op Java al verschillende irrigatiewerken ontworpen en uitgevoerd. Maar het toeval speelde hierbij een grote rol. De urgentie van die werken was gewoonlijk het gevolg van dreigende of bestaande hongersnood of chronisch voedseltekort. In die gevallen werden door de hoofden van gewestelijk bestuur voorstellen gedaan om de bevolking werk te verschaffen. De keuze viel dan bij uitzondering op verbetering of aanleg van wegen; in verreweg de meeste gevallen werden dan voorstellen gedaan tot herstel van bestaande of aanleg van nieuwe dammen dan wel andere werken ten behoeve der bevloeiing Zulke werken n werden „relief-works" genoemd. De eigenaardige verhouding tussen binnenlands bestuur en waterstaat leidde er toe dat die werken menigmaal werden geautoriseerd, zonder voorafgaand technisch overleg of voorlichting. Wanneer dan, wat veelal het geval was, bij de uitvoering van deze werken moeilijkheden werden ondervonden riep men ingenieurs van de waterstaat te hulp, aan wie de grootste spoed werd aanbevolen. Zij verklaarden dan eerst opnamen te moeten doen, vonden de hun door niet-deskundigen opgedragen werken niet doelmatig. Een en ander leidde tot grote vertraging of tot onoordeelkundige uitvoering. Maar ten slotte leidde het toch tot deskundige voorstellen van nieuwe irrigatiewerken, waarbij echter van een systeem geen sprake was. De grote verdienste van Van Bosse als directeur is geweest dat hij orde en regelmaat heeft gebracht in de chaos van aanhangig gemaakte plannen, dat hij zich een geordend overzicht schiep van de bestaande gegevens en daaruit concludeerde tot hetgeen in de allereerste toekomst op dat gebied zou kunnen worden verricht. Dit samenstel van beschikbare gegevens en onderzoeken, die het eerst aan de beurt konden komen op bevloeiingsgebied, deed onder de naam van algemeen irrigatieplan zijn intrede in de officiële wereld bij de indiening van de Indische begroting van 1891. Het bracht voor het eerst orde en systeem in de onoverzichtelijke stapel van ontwerpen, voorontwerpen, en losse denkbeelden; het ontwarde het kluwen, waarmee departement van B.O.W., noch departement van Binnenlands bestuur raad wist.
Het algemeen irrigatieplan is later ten onrechte beschouwd als een programma; dit kan echter de bedoeling nooit geweest zijn. Het kon zich niet uitspreken over de urgentie of de productiviteit der werken, het gaf uitsluitend de stand van zaken weer op het ogenblik van zijn totstandkoming. En het heeft jaren lang als eerste leidraad gestrekt voor de verdere stelselmatige ontwikkeling van het irrigatiewezen op Java.
Spoorwegen Als directeur B.O.W vielen de spoorwegen ook onder Van Bosse. Hij heeft zich ingezet voor het aanpassen van het tracé van de spoorlijn tussen west en midden Java. Het voorstel was om Tjilatjap door een zijlijntje met de hoofdlijn te verbinden, waardoor het moerasgebied van de Kinderzee (Segara Anakan, 20 km ten westen van Tjilatjap) gemeden kon worden
Op het gebied van spoorwegaanleg had Van Bosse verstrekkende denkbeelden, die overeenkwamen met de zienswijze van de minderheid van de toenmalige Staatscommissie, die de aanleg van een staatsspoorweg langs de Noordkust van Java had aanbevolen. Hij stelde aan de regering voor om gebruik te maken van een van de voorwaarden, waarop de concessie voor de particuliere spoorweg Semarang - Vorstenlanden en van de particuliere spoorweg Batavia - Buitenzorg, beide behorende aan de Nederlandsch-Indische Spoorweg Maatschappij, was verleend. De regering had daarbij de bevoegdheid tot nationalisering na 10 jaar. Hij stelde voor om in 1891 tot die nationalisering over te gaan en in verband daarmede een doorgaande verbinding langs de Noordkust, van Batavia tot Semarang en van daar over Goendih naar Soerabaja tot stand te brengen. Deze voorstellen kregen geen instemming van de regering.
Terug naar Nederland In September 1892, vroeg hij ontslag uit rijksdienst en keerde naar Nederland terug, waar hij een werkzaam en gezien man werd in ingenieurskringen. Kort na terugkeer gaf hij een lezing voor het KIvI "irrigatie in Nederlandsch-Indië, speciaal in Zuid-Bagelen", met daarin een gedetailleerd overzicht van zijn werk in Nederlands-Indië. In 1894 is hij medewerker aan het 6de Scheepvaartcongres dat in Den Haag wordt gehouden. In 1897 spreekt hij over de wetgeving van tramwegen in Nederlands-Indië.
Verder was hij voorzitter van de Vereeniging van Delftsche Ingenieurs, een vereniging die later opgegaan is in het KIvI. Ook buiten de ingenieurs-verenigingen was Van Bosse na zijn terugkomst in Nederland op velerlei gebied werkzaam. Hij was commissaris van de Haarlemsche Machinefabriek Gebr. Figee en van de Koloniale Bank, lid van de Centrale Commissie voor de Statistiek en directeur van de Steenkolenmaatschappij Oost-Borneo, waardoor hij regelmatig naar Nederlands-Indië moest reizen.
Privé Van Bosse was een zoon van politicus, minister en minister van Staat Pieter van Bosse (1809-1879) en Maria Johanna Reynvaan (1809-1864). Hij was een broer van kunstschilderes Marie Bilders-van Bosse (1837-1900). Hij trouwde twee keer en kreeg zeven kinderen, onder wie feministe Christine Bakker-van Bosse (1884-1973). Dochter Hermine Sophie Marie van Bosse (1883-1977) trouwde met industrieel mr. Karel Paul van der Mandele (1880-1975). Dochter Alida van Bosse (1885-1973) trouwde met theoloog prof. dr. Gerrit Jan Heering (1879-1955).
Publicaties van Van Bosse
Categorie:Nederlands waterbouwkundige Categorie:Nederlands civiel ingenieur Categorie:Waterbouwkundige in Nederlands-Indië