miniatuur|Frans Schollaert in 1913. De wet van 1895 werd naar hem genoemd. De Wet-Schollaert is de gebruikelijke benaming voor de Belgische organieke wet van 15 september 1895 die wijzigingen aanbracht aan de organieke wet op het lager onderwijs van 20 september 1884. In de geschiedschrijving wordt zij aangeduid als de vierde organieke wet op het lager onderwijs.Sandrine Lothaire, Marc Demeuse en Antoine Derobertmasure, "Histoire de la formation initiale des enseignants en Belgique francophone", Courrier hebdomadaire du CRISP, nr. 2564-2565, 2022, p. 13, doi:10.3917/cris.2564.0005. De wet kwam tot stand onder minister van Binnenlandse Zaken en Openbaar Onderwijs Frans Schollaert en werd op 16 en 17 september 1895 in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.Wet van 15 september 1895 houdende wijzigingen aan de organieke wet op het lager onderwijs van 20 september 1884, Belgisch Staatsblad, 16–17 september 1895; opgenomen in Pasinomie, 4e reeks, dl. XXX, 1895, pp. 359–370.

De hervorming had twee belangrijke onderdelen. Enerzijds werd de rechtstreekse subsidiëring door de Staat uitgebreid tot vrije scholen die niet door een gemeente waren aangenomen, maar wel voldeden aan de wettelijke voorwaarden om te kunnen worden aangenomen. Deze instellingen werden doorgaans als aanneembare scholen aangeduid. Anderzijds werden godsdienst en zedenleer opnieuw in het verplichte programma van het officiële lager onderwijs opgenomen, met behoud van een mogelijkheid voor ouders om hun kinderen daarvan te laten vrijstellen.Jeffrey Tyssens en Paul Wynants, "'Deux jeunesses, deux races'. Question scolaire, démocratie et nationalité", in Natie en democratie = Nation et démocratie, 1890-1921, Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten, Brussel, 2007, pp. 308–317, in het bijzonder p. 309.

Achtergrond De Wet-Schollaert bouwde voort op de organieke wet van 20 september 1884, de zogenoemde Wet-Jacobs. Die wet had na de Eerste Schoolstrijd een belangrijk deel van de bevoegdheid over het lager onderwijs opnieuw bij de gemeenten gelegd. Gemeenten konden vrije scholen aannemen en konden onder meer beslissen over de plaats van godsdienstonderwijs in hun scholen. In gemeenten met een antiklerikale meerderheid werden katholieke vrije scholen soms niet aangenomen, waardoor een deel van het vrije onderwijs financieel kwetsbaar bleef.Jeffrey Tyssens en Paul Wynants, "'Deux jeunesses, deux races'. Question scolaire, démocratie et nationalité", in Natie en democratie = Nation et démocratie, 1890-1921, Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten, Brussel, 2007, pp. 308–309.

Vanaf het einde van de jaren 1880 werden binnen katholieke kringen verschillende voorstellen gedaan om de subsidiëring van vrije scholen uit te breiden. In 1894 werd voorlopig een krediet op de begroting van Binnenlandse Zaken opgenomen voor vrije scholen waarvan de aanneming door een gemeentebestuur was geweigerd. Een ontwerp van minister Jules de Burlet voorzag vervolgens in een afzonderlijke categorie van aanneembare scholen: scholen die aan de wettelijke aannemingsvoorwaarden voldeden, maar door de plaatselijke overheid niet daadwerkelijk waren aangenomen. Schollaert nam dit mechanisme in 1895 over en combineerde het met een wijziging van de regeling inzake godsdienstonderwijs.

Bepalingen

Subsidiëring van vrije scholen De wet bepaalde dat vanaf het begrotingsjaar 1896 jaarlijks een krediet voor het gewone lager onderwijs over drie categorieën scholen werd verdeeld: gemeentescholen, door gemeenten aangenomen vrije scholen en niet-aangenomen private scholen die aan de wettelijke voorwaarden voor aanneming voldeden. Voor de verdeling van deze staatstoelagen golden gemeenschappelijke regels voor de drie categorieën.Marion Coulon, "Het lager onderwijs in België. Het toelagenstelsel", De Nieuwe Stem, jg. 6, 1951, pp. 432–433.

De gesubsidieerde vrije scholen moesten aan de wettelijke voorwaarden voor aanneming voldoen. Daartoe behoorden onder meer voorwaarden inzake de inrichting en het onderwijzend personeel en de onderwerping aan de staatsinspectie. De staatsinspectie werd door de wet uitdrukkelijk uitgebreid tot de gesubsidieerde private scholen, maar had geen bevoegdheid over het godsdienst- en zedenleeronderwijs.

De regeling hield niet in dat vrije en openbare scholen op alle onderdelen financieel volledig werden gelijkgesteld. De Staat kreeg wel een rechtstreeks financieringsinstrument voor de aanneembare vrije scholen, waardoor een weigering van een gemeentebestuur niet langer noodzakelijk betekende dat een school van staatssubsidies verstoken bleef. Tyssens en Wynants beschouwen deze uitbreiding van de rechtstreekse financiële tussenkomst van de centrale overheid als een van de structureel belangrijkste gevolgen van de hervorming.Tyssens en Wynants, "'Deux jeunesses, deux races'", 2007, p. 310.

Bovendien bepaalde de wet uitdrukkelijk dat een niet-aangenomen vrije school voor het verkrijgen van staatssubsidies niet verplicht was godsdienst en zedenleer in haar programma op te nemen.

Godsdienst en zedenleer De wet maakte godsdienst en zedenleer opnieuw tot onderdelen van het wettelijk voorgeschreven programma van het lager onderwijs dat onder de regeling van de wet viel. Daarnaast omvatte het programma onder meer lezen, schrijven, rekenen, het wettelijke stelsel van maten en gewichten, taalonderwijs, aardrijkskunde, Belgische geschiedenis, tekenen, hygiëne, zang en gymnastiek.

De bedienaars van de erkende erediensten werden uitgenodigd het godsdienst- en zedenleeronderwijs zelf te geven of het onder hun toezicht te laten verzorgen. De eerste of laatste halve lesuur van de ochtend- of namiddagsessie werd daarvoor bestemd. Ouders konden door een uitdrukkelijke verklaring vragen dat hun kind van het godsdienst- en zedenleeronderwijs werd vrijgesteld.

Daarnaast voorzag de wet opnieuw in een afzonderlijke kerkelijke inspectie van het godsdienst- en zedenleeronderwijs. De daarvoor aangewezen vertegenwoordigers van de hoofden van de erediensten hielden toezicht op dit deel van het onderwijs, terwijl de gewone staatsinspectie zich er niet toe mocht uitstrekken.

Politiek debat en betekenis Bij de parlementaire behandeling kreeg het godsdienstige onderdeel van de hervorming meer publieke en politieke aandacht dan de financieringsregeling. Volgens historici Jeffrey Tyssens en Paul Wynants verbonden Schollaert en katholiek rapporteur Charles Woeste het verplichte godsdienstonderwijs uitdrukkelijk met de morele vorming van toekomstige burgers en kenden zij eraan tevens een antisocialistische functie toe. Vooral de socialistische oppositie bestreed die opvatting.

Tyssens en Wynants plaatsen deze discussie tegen de achtergrond van de politieke democratisering van de jaren 1890. Na de invoering van het algemeen meervoudig mannenstemrecht en de verkiezing van de eerste vertegenwoordigers van de Belgische Werkliedenpartij in 1894 nam binnen katholieke kringen de aandacht toe voor de ideologische en maatschappelijke functie van het onderwijs.

Voor de uitbreiding van de subsidiëring voerde de katholieke meerderheid onder meer aan dat katholieke ouders zowel via belastingen aan het officiële onderwijs bijdroegen als zelf de kosten van confessionele scholen droegen. De nieuwe subsidies moesten die volgens de meerderheid ongelijke financiële belasting verminderen. Historicus Paul Wynants beschrijft de subsidiëring van de aanneembare scholen, naast het herstel van godsdienst en zedenleer als verplichte vakken en de kerkelijke inspectie, als een van de centrale onderdelen van het project-Schollaert.Paul Wynants, "Une stratégie catholique de lutte scolaire (fin XIXe-début XXe s.): la réadoption anticipée", in Politique, imaginaire et éducation. Mélanges en l'honneur de Jacques Lory, vol. 13–14, Facultés universitaires Saint-Louis, Brussel, 2000, pp. 221–246, in het bijzonder p. 227.

Op bestuurlijk vlak betekende de wet tegelijkertijd een gedeeltelijke hernieuwde centralisering. Door rechtstreeks subsidies toe te kennen aan aanneembare vrije scholen verwierf de nationale overheid een directere rol in de financiering van een gedeelte van het lager onderwijs. De verhouding tussen de financiering van het officiële en het vrije onderwijs bleef vervolgens een centraal onderdeel van de Belgische schoolpolitiek.

Verdere ontwikkeling De Wet-Schollaert beëindigde de discussie over de financiering van het vrije onderwijs niet. In 1909 pleitten katholieke organisaties opnieuw voor een herziening van de wet met het oog op een verdergaande gelijkheid van de verschillende schooltypen bij de toekenning van subsidies. Schollaert werkte als regeringsleider in 1911 een nieuw ontwerp uit rond een zogenoemde schoolbon, maar dit voorstel werd niet aangenomen.Tyssens en Wynants, "'Deux jeunesses, deux races'", 2007, p. 311.

De wet van 19 mei 1914, die in de literatuur als de vijfde organieke wet op het lager onderwijs wordt aangeduid, wijzigde vervolgens de regeling van 1895. Zij voerde onder meer de kosteloze leerplicht voor kinderen van zes tot veertien jaar in en breidde de financiering van de verschillende onderwijsnetten verder uit. De Wet-Schollaert van 1895 geldt daardoor als een belangrijke tussenstap in de ontwikkeling van het Belgische stelsel waarin zowel openbaar als vrij onderwijs met publieke middelen werd gefinancierd.

Zie ook

Schoolstrijd (België) Victor Jacobs Jules Malou Frans Schollaert

Categorie:Katholiek onderwijs in België Categorie:Politieke terminologie in België Categorie:Geschiedenis van België in de 19e eeuw Categorie:Geschiedenis van het onderwijs Categorie:Historische wet in België Categorie:Onderwijswetgeving Categorie:Politiek in 1895