De Organieke wet op het lager onderwijs van 19 mei 1914, doorgaans de Wet-Poullet genoemd naar minister Prosper Poullet, was een Belgische organieke onderwijswet die de algemene onderwijsplicht invoerde en de wetgeving op het lager onderwijs hervormde.M. de Vroede, "De weg naar de algemene leerplicht in België", Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden, jrg. 85, 1970, p. 141. De wet werd afgekondigd op 19 mei 1914 en op 21 mei gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.Kamer van Volksvertegenwoordigers, "Wetsontwerp tot invoering van leerplicht en wijziging van de wet op het lager onderwijs", parlementair dossier 25K0308-1912-1913, ingediend 20 juni 1913; stemming Kamer 18 februari 1914; stemming Senaat 14 mei 1914; wet 19 mei 1914; Belgisch Staatsblad, 21 mei 1914, nr. 141.
De onderwijsplicht duurde normaal acht jaar en begon na de zomervakantie van het jaar waarin een kind zes jaar werd. Kinderen konden onderwijs volgen in een openbare of bijzondere school, maar ook thuisonderwijs was mogelijk. De wet stelde dus een verplichting tot het ontvangen van onderwijs in en geen absolute verplichting om een school te bezoeken.Hugues Draelants, Vincent Dupriez en Christian Maroy, "Le système scolaire", Dossiers du CRISP, nr. 59, 2003, p. 27, doi:10.3917/dscrisp.059.0009.Belgisch Centraal Bureau voor de Statistiek, Statistisch Jaarboek van België, 1937, hoofdstuk IV, p. LIII.
Naast de onderwijsplicht voerde de wet onder meer een vierde graad in het lager onderwijs in, breidde zij de kosteloosheid van het verplichte onderwijs uit, wijzigde zij de financiering en bezoldiging van scholen en onderwijzers en veralgemeende zij het medisch schooltoezicht.Paul Wynants, "La loi du 19 mai 1914 sur l'instruction primaire: une avancée démocratique?", in Congrès de Namur: 28-31 août 2008: actes, vol. 2, Presses universitaires de Namur, Namen, 2011, pp. 256–257. De uitvoering van verscheidene onderdelen werd door de Eerste Wereldoorlog vertraagd.Wynants, "La loi du 19 mai 1914 sur l'instruction primaire", 2011
Achtergrond miniatuur|Prosper Poullet België voerde de algemene onderwijsplicht relatief laat in. In Nederland bestond een wettelijke leerplicht sinds 1900, in Frankrijk sinds 1882 en in Luxemburg sinds 1881; in Engeland was de invoering in de periode 1870–1880 tot stand gekomen. Volgens onderwijshistoricus M. de Vroede gold vóór 1914 in vrijwel alle Europese landen reeds een vorm van leerplicht.
De invoering in België was nauw verweven met de negentiende- en vroegtwintigste-eeuwse schoolstrijd. Politieke meningsverschillen betroffen niet alleen het beginsel van verplicht onderwijs, maar ook de verhouding tussen het officiële en het vrije, overwegend katholieke onderwijs en de wijze waarop beide schoolnetten door de overheid zouden worden gefinancierd.De Vroede, "De weg naar de algemene leerplicht in België", 1970
Een eerdere poging tot hervorming werd in maart 1911 ondernomen door minister Frans Schollaert. Zijn ontwerp voorzag onder meer in een algemene leerplicht tot veertien jaar, een vierde graad in het lager onderwijs en een stelsel waarbij overheidssubsidies via zogenoemde schoolbonnen over de scholen zouden worden verdeeld. Het voorstel leidde tot hevige politieke tegenstand en verdeeldheid binnen de katholieke meerderheid en kwam niet tot stand.
Het ontwerp dat Prosper Poullet in juni 1913 indiende, behield de onderwijsplicht en de vierde graad, maar liet het systeem van schoolbonnen vallen. Ook werden gemeenten niet verplicht om de vrije scholen rechtstreeks te subsidiëren; in plaats daarvan werden de rijkssubsidies verhoogd. De Vroede beschouwt die regeling als een compromis binnen het toenmalige schoolpolitieke conflict.
Totstandkoming Poullet diende het wetsontwerp op 20 juni 1913 in bij de Kamer van volksvertegenwoordigers. Het parlementaire debat begon in oktober 1913 en duurde tot februari 1914. De katholieke meerderheid steunde het ontwerp, terwijl liberalen en socialisten zich tegen onderdelen van de schoolpolitieke regeling verzetten. Bij de eindstemming in de Kamer stemden 98 katholieke volksvertegenwoordigers voor en onthielden twee zich; de liberale en socialistische volksvertegenwoordigers namen niet aan de stemming deel en verlieten de vergaderzaal. Ook vóór de eindstemming in de Senaat verliet de oppositie de vergadering.Wynants, "La loi du 19 mai 1914 sur l'instruction primaire", 2011, p. 253.
De Kamer keurde het ontwerp op 18 februari 1914 goed en de Senaat op 14 mei. De wet werd op 19 mei 1914 afgekondigd en verscheen twee dagen later in het Belgisch Staatsblad. De wet droeg in de Franstalige bekendmaking de titel Loi décrétant l'instruction obligatoire et apportant des modifications à la loi organique de l'enseignement primaire.Loi du 19 mai 1914 décrétant l'instruction obligatoire et apportant des modifications à la loi organique de l'enseignement primaire, Moniteur belge, 21 mei 1914, pp. 3115–3123.
Organisatie van het onderwijs
Onderwijsplicht De belangrijkste vernieuwing was de invoering van een algemene onderwijsplicht. Het gezinshoofd diende ervoor te zorgen dat het kind gedurende acht jaar behoorlijk lager onderwijs ontving. De normale periode begon na de zomervakantie van het kalenderjaar waarin het kind zes jaar werd en liep daardoor in de regel tot ongeveer de leeftijd van veertien jaar. In de historische literatuur wordt de regeling daarom doorgaans omschreven als een leerplicht van zes tot veertien jaar.
De verplichting was juridisch een onderwijsplicht en niet uitsluitend een schoolplicht. Aan de verplichting kon worden voldaan door onderwijs in een openbare school, een bijzondere school of thuis. Het stelsel was mede bedoeld om kinderen die geen onderwijs ontvingen te bereiken en voortijdig schoolverlaten en langdurig absenteïsme tegen te gaan.
Vierde graad Aan het lager onderwijs werd een vierde graad met een beroepsgerichte inslag toegevoegd. Volgens de toenmalige opvattingen kreeg deze graad voor jongens onder meer een industrieel, commercieel of agrarisch karakter, terwijl voor meisjes huishoudelijk onderwijs werd voorzien. De vierde graad moest vooral oudere leerlingen langer in het onderwijs houden en een overgang naar beroepsopleiding of arbeidsmarkt ondersteunen.
De regeling liet evenwel ruimte voor seizoenarbeid. Leerlingen van de derde en vierde graad konden onder bepaalde omstandigheden tot 35 dagen verlof krijgen om seizoenwerk te verrichten in de landbouw of in bepaalde bedrijfstakken. Socialistische parlementsleden vreesden dat deze mogelijkheid misbruik en schooluitval in de hand zou werken.
Kosteloosheid en financiering Het verplichte onderwijs werd kosteloos voor leerlingen, ongeacht het schoolnet. Voor kinderen uit minder draagkrachtige gezinnen werden daarnaast voorzieningen voor schoolbenodigdheden getroffen. Bij de toekenning van bepaalde sociale voordelen door lagere overheden gold een beginsel van niet-discriminatie tussen leerlingen uit verschillende schoolnetten.
De financieringsregeling was politiek belangrijk omdat de invoering van de onderwijsplicht samenhing met de vraag hoe het vrije onderwijs de nieuwe verplichtingen kon bekostigen. De wet verhoogde de overheidstussenkomst en voorzag onder meer in aanvullende subsidies voor kleinere en middelgrote gemeenten en voor de betrokken vrije scholen.
Onderwijspersoneel De weddeschalen voor onderwijzers werden verhoogd. De nieuwe regeling werd eveneens van toepassing op het personeel van de zogenoemde aanneembare scholen, die volgens Wynants in grote meerderheid confessioneel waren. Verschillen in bezoldiging die verband hielden met de grootte van de gemeente werden grotendeels afgeschaft, met uitzondering van de vergoeding voor huisvesting.
De wet voerde echter geen volledige loongelijkheid in. Het verschil in bezoldiging tussen mannelijke en vrouwelijke onderwijzers bleef bestaan. Tijdens de parlementaire behandeling pleitte de linkse oppositie voor gelijk loon voor gelijk werk, maar dit werd niet in de wet opgenomen.
Medisch toezicht en onderwijstaal De wet veralgemeende tevens het medisch schooltoezicht.
Op taalgebied bepaalde de regeling dat de moedertaal van het kind, zoals aangegeven door het gezinshoofd, als onderwijstaal moest gelden. Voor de Brusselse agglomeratie en gemeenten aan de taalgrens bestond een bijzondere regeling. Deze bepalingen maakten deel uit van het bredere politieke conflict over het taalgebruik in het Belgische onderwijs.
Verband met kinderarbeid De Wet-Poullet moet worden onderscheiden van de arbeidswetgeving die kort daarna werd aangenomen. Op 26 mei 1914 werd een afzonderlijke wet afgekondigd die de wet van 13 december 1889 betreffende de arbeid van vrouwen, jongeren en kinderen wijzigde. Binnen het toepassingsgebied van die arbeidswet werd de tewerkstelling van kinderen jonger dan veertien jaar verboden. De wet werd op 10 juni 1914 in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd.Kamer van Volksvertegenwoordigers, Projet de loi apportant des modifications à la loi du 13 décembre 1889 sur le travail des femmes, des adolescents et des enfants, parlementair dossier 25K0017-1912-1913; stemming Kamer 4 maart 1914; stemming Senaat 22 mei 1914; wet 26 mei 1914; Belgisch Staatsblad, 10 juni 1914, nr. 161.
Beide wetten waren inhoudelijk met elkaar verbonden: een langere onderwijsplicht was moeilijk verenigbaar met reguliere arbeid door kinderen beneden veertien jaar. De arbeidswet van 26 mei vormde echter juridisch een afzonderlijke maatregel en geen onderdeel van de Wet-Poullet zelf.
Uitvoering en betekenis De Eerste Wereldoorlog brak enkele maanden na de afkondiging van de wet uit. Daardoor werd de toepassing ervan voor een belangrijk deel vertraagd. Na de oorlog waren aanvullende maatregelen nodig om onder meer schoolverzuim tegen te gaan en de vierde graad verder uit te werken. Het definitieve programma van die vierde graad werd bij koninklijk besluit van 28 september 1922 vastgesteld.
Ook de financiering van het onderwijs werd na de oorlog verder hervormd. Een wet van 13 november 1919 versterkte de overheidsfinanciering en voorzag onder meer in de volledige betaling door de staat van de wedden van onderwijzers binnen het betrokken stelsel.
Historisch betekende de wet van 19 mei 1914 een keerpunt doordat de overheid voor het eerst een algemene verplichting vastlegde om kinderen gedurende een minimumperiode lager onderwijs te laten ontvangen. België behoorde daarmee tot de laatste Europese landen die een algemene onderwijsplicht invoerden. De wet combineerde die verplichting met hervormingen inzake kosteloosheid, subsidiëring, personeelsbezoldiging, medisch toezicht en de uitbreiding van het lager onderwijs, maar weerspiegelde tegelijk de toenmalige politieke tegenstellingen over religie, schoolfinanciering, sociale bescherming, gender en taal.
Zie ook
Leerplicht Onderwijs in België Schoolstrijd (België) Prosper Poullet
Categorie:Katholiek onderwijs in België Categorie:Politieke terminologie in België Categorie:Geschiedenis van België in de 20e eeuw Categorie:Geschiedenis van het onderwijs Categorie:Onderwijswetgeving Categorie:Belgische wet Categorie:Politiek in 1914