thumb|right|upright=1.00|Heraldische voorstelling van het wapen van de Zwitserse tak van de familie Beretta te Lugano

Baretta (oorspronkelijk Beretta) is een Nederlands geslacht van Zwitsers-Italiaanse oorsprong. De familie is vanaf het begin van de zeventiende eeuw gedocumenteerd in Lugano, in het Italiaanstalige Zwitserse kanton Ticino, en wordt traditioneel in verband gebracht met Leontica als plaats van oorsprong. Een tak was vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw in Holland werkzaam in het stukadoorsvak; het eerste familielid vestigde zich in 1757 in Nederland. De Haagse tak ontstond in 1773, de Hoornse omstreeks 1796 en de Nijmeegse in 1801; nakomelingen van de laatste tak vestigden zich in de jaren 1820 in Delft. Leden van het geslacht waren onder meer werkzaam als stukadoor, kunstschilder, lithograaf, architect, bestuurder, militair en deskundige in het slagersvak.

Herkomst in Ticino thumb|Ingekleurde aquatint van Lugano, gezien vanuit het zuiden, omstreeks 1820–1829. De familie Beretta is vanaf het begin van de zeventiende eeuw in de stad gedocumenteerd; de daar gebleven familieleden werden tussen 1808 en 1810 toegelaten tot het plaatselijke patriziato, de burgergemeenschap van oude plaatselijke families.

De genealogie begint met Francesco Beretta, die sinds het begin van de zeventiende eeuw in Lugano woonde en daar in 1670 overleed. Het erfgoedportaal van de stad Lugano omschrijft de familie als oorspronkelijk afkomstig uit Leontica. Die plaats werd eveneens genoemd in de genealogische stukken die werden overgelegd toen de in Lugano gebleven familieleden tussen 1808 en 1810 werden toegelaten tot het plaatselijke patriziato, waaraan onder meer gebruiks- en stemrechten waren verbonden. Het op Haagse stambomen gepubliceerde genealogische onderzoek plaatst bij deze herkomst echter een voorbehoud. Volgens dat onderzoek zou het beroep van Francesco als tinsmid mogelijk op een herkomst uit de Val Colla kunnen wijzen en kan Leontica later als plaats van oorsprong zijn opgegeven om de toelating tot het patriziato te vergemakkelijken. Lugano blijft daarmee de vroegst aantoonbare woonplaats van de familie.

Vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw was een familietak in Holland actief in het stukadoorsvak. Andere familieleden bleven in Lugano. Uit het huwelijk van Salvatore Beretta (1767–1827) en Rosa Piccoli (1776–1833) ontstond daar de familietak Beretta Piccoli.

Ticino behoort staatkundig tot Zwitserland, maar is overwegend Italiaanstalig en cultureel nauw verbonden met Noord-Italië. In Nederlandse bronnen werden de rondreizende ambachtslieden uit deze streek daarom vaak als Italianen aangeduid. Voor de familie is de omschrijving Zwitsers-Italiaans het nauwkeurigst.

Vestiging in Nederland De eerste aantoonbare vertegenwoordiger in Nederland was Francesco Marco Maria Beretta (1728–1774), in Nederlandse bronnen doorgaans François of Franciscus Beretta genoemd. Op 22 juni 1757 kreeg hij toestemming om zes maanden in Den Haag te verblijven. Hij keerde ten minste tweemaal naar zijn vrouw Anna Maria Solari in Lugano terug, maar bleef uiteindelijk tot zijn overlijden in Nederland.

In 1772 kwamen twee van zijn neven naar Den Haag: Johannes Jacobus Beretta (1752–1827) en Joannes Baptista Beretta (1754–1827), zoons van Giuseppe Antonio Beretta en Maria Elisabetta Bordoni. Joannes Baptista kreeg op 21 oktober 1772 verblijfsrecht voor twee jaar; Johannes Jacobus werd op 2 augustus 1773 als burger van Den Haag ingeschreven. Johannes Jacobus werd de stamvader van de Haagse tak en Joannes Baptista van de Hoornse tak. Hun broer Franciscus Marcus Beretta (1764–circa 1810) werd in 1787 burger van Den Haag, verbleef later in Nijmegen en werd via zijn nakomelingen in Delft de stamvader van de tak die door een verschrijving bij de burgerlijke stand de naam Baretta ging voeren.

Stukadoors, kunstenaars en architecten thumb|De voormalige vierschaar van het oude stadhuis van Breda.

Binnen de Nederlandse takken werd het stukadoorsambacht vanaf de achttiende eeuw gedurende verschillende generaties uitgeoefend. Leden van het geslacht waren werkzaam in Den Haag, Hoorn en Nijmegen en voerden opdrachten uit in onder meer Breda, Culemborg en Delden. Vanaf de negentiende eeuw werd deze ambachtelijke traditie binnen de familie uitgebreid met beeldende kunst en architectuur.

Stukadoors Het onderstaande overzicht omvat de familieleden die in de genealogische en beroepsmatige bronnen als stukadoor of meester-stukadoor worden vermeld. De middelste kolom geeft de aantoonbare beroepsperiode weer. In de laatste kolom zijn de werkkring, gedocumenteerde opdrachten, nevenberoepen of andere voor de beroepsuitoefening relevante bijzonderheden opgenomen.

Persoon Beroepsperiode Werkkring, opdracht of bijzonderheid Francesco Marco Maria (François) Beretta (1728–1774) 1764–1768 gedocumenteerd Werkzaam in Den Haag, in 1764 in compagnie met de eveneens uit Ticino afkomstige stukadoor Antoni Mazza. Vervaardigde in 1766–1768 in de voormalige vierschaar van het oude stadhuis van Breda het plafond, de schoorsteenboezem en de allegorische wanddecoraties in Lodewijk XV-stijl. Johannes Jacobus Beretta (1752–1827) 1773–1827 Meester-stukadoor in Den Haag en in 1773 werkzaam in compagnie met Antoni Mazza. Werkte mee aan het stucplafond van de voormalige balzaal van stadhouder Willem V aan het Binnenhof. Joannes (Jan) Baptista Beretta (1754–1827) 1773–1827 Vestigde zich in Hoorn en werd stamvader van de Hoornse tak. Zijn zoon Joseph Antonius zette het stukadoorsambacht daar voort. Franciscus Marcus Beretta (1764–circa 1810) 1787–1800 gedocumenteerd Aanvankelijk werkzaam in Den Haag en later gevestigd in Nijmegen; in 1787–1788 tevens kastelein. Vervaardigde in 1800 de gestucte schouw in de regentenkamer van het Elisabeth Weeshuis in Culemborg. Joannes Josephus Franciscus Beretta (1778–1841) 1800–1841 Meester-stukadoor in de Haagse tak. Vader van Petrus Augustus en Joannes Antonie Beretta, die het ambacht in de volgende generatie voortzetten. Jacobus Joannes Baptista Beretta (1781–1846) 1800–1846 Gedurende meer dan vier decennia als meester-stukadoor in de Haagse tak geregistreerd; een afzonderlijke opdracht is niet met zekerheid geïdentificeerd. Franciscus Gerardus Beretta (1784–circa 1829) vermeld in 1808 Als meester-stukadoor in de Haagse tak geregistreerd. Overleed later in Oberlethe bij Wardenburg in Nedersaksen. Joseph Antonius Beretta (circa 1796–1830) vermeld in 1819 Stukadoor in Hoorn en vertegenwoordiger van de tweede generatie stukadoors van de Hoornse tak. Petrus Augustus Beretta (1805–1866) 1822–1866 Werkte vanaf 1847 met zijn broer Joannes Antonie aan Kasteel Twickel en in 1849 aan plafonds in Paleis Noordeinde. Daarnaast werkzaam als kunstschilder, aquarellist en lithograaf. Joannes Antonie Beretta (1810–1885) 1830–1885 Werkte met Petrus Augustus aan Kasteel Twickel en Paleis Noordeinde. Was daarnaast medeoprichter van de Haagse brandstoffenhandel J.A. Beretta en Zn. Johannes Josephus Franciscus Matthias Beretta (1834–1864) vermeld in 1864 In 1864 als stukadoor en jager geregistreerd; overleed datzelfde jaar in Suriname. Victor Johannes Hendrik Beretta (1841–1867) vermeld in 1867 Werkzaam in Den Haag als stukadoor en fabrikant van kunstmarmer.

Gedocumenteerde opdrachten Voor verschillende familieleden zijn afzonderlijke opdrachten of werkzaamheden aan nog bestaande monumentale gebouwen gedocumenteerd. Deze werken laten zien dat leden van de familie zowel zelfstandige decoratieve ensembles vervaardigden als in samenwerking met architecten en andere stukadoors optraden.

François Beretta werkte tijdens de verbouwing van het stadhuis van Breda in 1766–1768 in de voormalige vierschaar. Naar ontwerp van architect Philip Willem Schonck voerde hij daar het plafond en de wanddecoratie in Lodewijk XV-stijl uit. Het ensemble omvat een gestucte schoorsteenboezem en trofeeën met allegorische verwijzingen naar voorzichtigheid, wijsheid, matigheid en gerechtigheid.

Johannes Jacobus Beretta vervaardigde samen met Bernardus van Gorkum en Johan Pieter Röhl van Gorkum het stucplafond van de balzaal in de door Friedrich Ludwig Gunckel ontworpen vleugel van stadhouder Willem V aan het Binnenhof. De zaal werd vanaf 1815 gebruikt als vergaderzaal van de Tweede Kamer en bleef dat tot 1992.

thumb|Het Elisabeth Weeshuis in Culemborg. De regentenkamer bevat stucwerk van Franciscus Marcus Beretta uit 1800.

Franciscus Marcus Beretta vervaardigde in 1800 de gestucte schouw in de regentenkamer van het Elisabeth Weeshuis in Culemborg. De schoorsteenboezem toont een pelikaan die haar jongen met haar eigen bloed voedt, een christelijk symbool voor de offerdood van Christus. Boven de deur bevinden zich vogels op een pijlenbundel en een brandende fakkel. Een Latijns opschrift herdenkt Elisabeth van Culemborg, stichteres van het weeshuis.

De broers Petrus Augustus en Joannes Antonie Beretta werkten vanaf 1847 in opdracht van baron Van Heeckeren aan het stucwerk in Kasteel Twickel bij Delden. In april 1849 waren zij werkzaam in de koninklijke appartementen van Paleis Noordeinde.

Beeldende kunst thumb|Schepen in een Nederlandse haven, door Petrus Augustus Beretta (1805–1866).

Petrus Augustus Beretta (1805–1866) combineerde het familieambacht met de beeldende kunst. Hij was leerling van Bartholomeus Johannes van Hove voor tekenen en van Jan Willem Pieneman voor schilderen. Hij schilderde en aquarelleerde stadsgezichten, rivier- en winterlandschappen en havengezichten. Daarnaast vervaardigde hij lithografieën.

Vanaf 1831 leverde Beretta lithografische bijdragen aan Het Koninklijk Museum van 's-Gravenhage op steen gebragt, een door Johannes Immerzeel beschreven prentwerk naar schilderijen uit de collectie van het Mauritshuis. Prenten van hem bevinden zich onder meer in het Rijksmuseum en het British Museum.

Architecten Adam Antonius Maria Beretta (1849–1892), zoon van Petrus Augustus, ontwierp in Apeldoorn dertien villa's: vier rond het Oranjepark en negen bij het toenmalige Sophiapark. Tot de bewaard gebleven ontwerpen behoort de eclectische villa Kerklaan 10 uit 1878, een gemeentelijk monument. Beretta kocht zelf bouwgrond, liet een deel van de villa's voor eigen rekening bouwen en woonde korte tijd in Kerklaan 10.

In Amsterdam ontwierp Adam Beretta Amsteldijk 25, gebouwd in 1882 als café met bovenwoningen en later bekend geworden als Badhuis Amstel. Het drielaagse hoekpand is uitgevoerd in een eclectische bouwtrant en heeft een afgeronde hoekpartij met spits. De bouwtekeningen berusten in het Stadsarchief Amsterdam.

Johannes Baretta (1901–1997), uit de Delftse tak, was architect in Woerden. Tot zijn gedocumenteerde ontwerpen behoren graanmaalderij De Hoop aan de Leidsestraatweg uit 1926 en een complex van 26 woningen aan de Leliestraat voor woningbouwvereniging Willibrordus uit 1950. Daarnaast was hij in 1919 medeoprichter van de Woerdense gymnastiekvereniging Bato.

Verwantschap met Bordoni en Rabaglio in Gandria thumb|Gandria aan het Meer van Lugano. Het dorp bracht generaties mastri d’arte — bouwmeesters, architecten en stukadoors — voort, onder wie leden van de families Bordoni en Rabaglio.

Gandria, aan het Meer van Lugano, speelt in de familiegeschiedenis een rol door het huwelijk van Giuseppe Antonio Beretta (1722–vóór 1801) met Maria Elisabetta Bordoni (1729–1801), dat daar in 1752 werd gesloten. Zij was een dochter van Giovanni Rocco Bordoni en Maria Caterina Rabaglio. De Nederlandse stamvaders Johannes Jacobus, Joannes Baptista en Franciscus Marcus waren hun zoons. Gandria is daarmee de plaats van de verwante families Bordoni en Rabaglio en van dit huwelijk, maar niet de aangetoonde plaats van oorsprong van de familie Beretta.

thumb|Het barokke interieur van de kerk van San Vigilio in Gandria. De gebroeders Vigilio en Pietro Rabaglio droegen bij aan de achttiende-eeuwse vernieuwing van de kerk.