Gijsbert Hemmij (Kaapstad, 16 juni 1747 – Kakegawa, 8 juni 1798) was van eind 1792 tot aan zijn overlijden opperhoofd van de Nederlandse handelspost Dejima in Japan. Hij was ook de eerste persoon van kleur die over zijn geboorteland en de oorspronkelijke bewoners daarvan schreef. Hij was de achterkleinzoon van Anna de Coningh die als slavin geboren was. Anna werd als kind gezamenlijk met haar moeder Angela van Bengale in vrijheid gesteld en werd later een van de rijkste mensen in de Kaapkolonie. Zijn vader was de oorspronkelijk uit Bremen afkomstige vice-gouverneur Otto Lüder Hemmy (1710-1777). Zijn moeder was de kleindochter van Anna de Coningh .

Studie in Europa

Gijsbert Hemmij gaat in Europa studeren. Hij volgt de Latijnse school in Hamburg waar hij in 1767 afstudeert. Hij houdt bij die gelegenheid een voordracht Oratio de Promontorio Bonae Spei (Toespraak over Kaap de Goede Hoop) waarin hij zijn eigen afkomst uitdrukkelijk presenteert. Hij vervolgt zijn studie in Leiden en studeert daar in de rechtswetenschappen af in 1770. Zijn dissertatie is De Testimonis Aethiopum, Chinensium aliorumque paganorum in India Orientali (Over de getuigenissen van Ethiopiërs, Chinezen en andere heidenen in Oost-Indië). Hierin behandelt hij het vraagstuk van de erkenning van getuigenissen van niet-Europese groepen in juridische procedures waar ook blanken partij zijn. Hemmij geeft in de dissertatie daarop zonder enige reserve een bevestigend oordeel. In de dissertatie waarschuwt hij voor het het gevaar van culturele superioriteit en stelt dat intelligentie en capaciteiten niet gebonden zijn aan afkomst of geboorteplaats.

Carrière bij de VOC

Na de periode in Leiden keerde Hemmij weer terug naar Kaapstad. Hij neemt dienst bij de VOC in 1772. Vanaf 1775 is hij als onderkoopman in Batavia. Hij maakt verder promotie en in 1780 wordt hij benoemd als hoofd van de handelspost in Palembang op Sumatra. Na enige jaren werd hij door de sultan beschuldigd van wanbeheer en het smokkelen van tin voor eigen gewin. Hij werd daarop teruggeroepen naar Batavia, maar in 1787 worden de beschuldigingen ingetrokken wegens gebrek aan bewijs. In 1788 wordt hij in de rang van koopman verantwoordelijk voor de leiding van het centrale depot van de VOC in Batavia.

Opperhoofd in Dejima

In 1792 krijgt hij de rang van opperkoopman en wordt hij benoemd tot opperhoofd van Dejima. Hemmij was het laatste door de VOC benoemde opperhoofd. Het grootste deel van zijn periode vond plaats tijdens het tijdperk van de Bataafse Republiek toen de VOC al genationaliseerd was. De verbindingen tussen de handelspost met zowel Nederland als Batavia waren uiterst moeilijk. Dat is ook de reden voor de ongebruikelijk lange periode van zes jaar op Dejima. Hemmij was naast Isaac Titsingh, eveneens een doctor in de rechtsgeleerdheid, het hoogst opgeleide opperhoofd van de achttiende eeuw. Na zijn overlijden wordt een inventarislijst opgemaakt van zijn boeken op Dejima. Die bevat werken in het Nederlands, Frans, Duits en Engels. Er is veel werk dat typerend is voor de geest van de Verlichting. Hemmij is duidelijk een geleerde man. Het is dan ook opmerkelijk dat hij niets heeft nagelaten over Japan.

Hemmij onderneemt tweemaal een hofreis naar de shogun in Edo. De eerste is in de periode april-juli 1794. De tweede hofreis vertrekt op 12 maart 1798 naar Edo. Op de terugreis wordt hij ernstig ziek en overlijdt hij in een herberg in Kakegawa. Hij wordt begraven op het terrein van de Tennenji-tempel. Nederlandse diplomaten hebben in de negentiende en twintigste eeuw middelen voor het onderhoud van het grafmonument weten te regelen. In 2006 is het voor het laatst gerestaureerd en tot monument van de gemeente Kakegawa verklaard.Zie Grafmonument Hemmij

De omstandigheden waarin Hemmij overleed lijken verdacht, waarbij dan vooral aan een vergiftiging werd gedacht. Aanleiding daartoe zijn de bewaard gebleven aantekeningen van Leopold Willem Ras die Hemmij als boekhouder vergezelde op de tweede hofreis. Ras werd na het overlijden van Hemmij waarnemend opperhoofd. Uit die aantekeningen wordt duidelijk dat de belangrijkste tolk van Hemmij is geëxecuteerd door spietsing en een Japanse bediende door onthoofding. De reden daarvoor werd niet gegeven, want dit zou zeer geheim zijn. De echte reden zou echter zijn, dat Hemmij een illegale handel te samen met de daimyo van Satsuma had gepoogd te organiseren. Als dit publiek zou worden, had er een zeer ongewenste binnenlandse escalatie van spanningen kunnen optreden. Een overlijden van Hemmij kwam dus zeer goed uit. Het was feitelijk gewenst. Diary kept by scribe Leopold Willem Ras. Aantekening 29 januari 1799. Pagina 728. De essentie van het verhaal van Ras wordt in latere Japanse bronnen gedeeld. De daimyo van Satsuma wordt hierin niet genoemd.

Categorie:VOC-opperhoofd in Japan