Val Colla is een ongeveer tien kilometer lang dal in het Zwitserse kanton Ticino, ten noordoosten van de stad Lugano. Het dal volgt de bovenloop van de Cassarate vanaf de 2116 meter hoge Gazzirola in zuidwestelijke richting. De verspreid liggende dorpen vormen tegenwoordig samen het gelijknamige stadsdeel van Lugano.

De schrijfwijze Val Colla met een spatie wordt gebruikt voor het dal en het huidige stadsdeel. Valcolla aan elkaar was de officiële naam van een gemeente die van 1956 tot 2013 bestond en daarna in Lugano opging. Het dorp Colla was tot 1956 een zelfstandige gemeente en werd in dat jaar in Valcolla opgenomen.

Geografie De Val Colla is een steil, bebost dal in de Luganese Prealpen. Het loopt van de Gazzirola naar de plaats waar de Cassarate op ongeveer 420 meter hoogte samenkomt met de beek uit de Capriasca. Via de San Luciopas, op de grens tussen Zwitserland en Italië, staat het dal in verbinding met de Val Cavargna in Lombardije. Het middeleeuwse heiligdom van San Lucio ligt aan de Italiaanse zijde van de pas en werd van oudsher bezocht door bewoners van beide dalen.

Tot de voornaamste dorpen behoren Bogno, Certara, Cimadera, Colla, Insone, Piandera, Scareglia en Signôra. Daarnaast zijn er kleinere gehuchten, waaronder Curtina, Cozzo en Maglio di Colla. De nederzettingen en akkers liggen vooral op de zonniger hellingen; hogerop bevinden zich bergweiden en eenvoudige stallen voor geiten en schapen. Een groot deel van het dal is opgenomen in de Zwitserse inventaris van landschappen en natuurmonumenten van nationaal belang en geldt ook op kantonnaal niveau als natuurgebied.

Geschiedenis en bestuur Vanaf de 9e of 10e eeuw behoorde de Val Colla tot het domein van Sonvico, dat in handen was van de kerk van San Carpoforo in Como. De eerste gehuchten zijn in de middeleeuwen ontstaan. Later deelde het dal de geschiedenis van het baljuwschap Lugano. Door de besloten ligging bleef het gebied lange tijd betrekkelijk geïsoleerd. Langs de Cassarate stonden watermolens en door waterkracht aangedreven hamers.

Een verharde weg tussen Tesserete en Maglio di Colla werd in het midden van de 19e eeuw aangelegd. Veel afgelegen woningen werden echter pas omstreeks 1940 met een berijdbare weg bereikbaar. In 1956 gingen de gemeenten Colla, Insone, Piandera, Scareglia en Signôra op in de nieuwe gemeente Valcolla; Bogno, Certara en Cimadera bleven toen zelfstandig. Deze vier gemeenten werden in 2013 bij Lugano gevoegd en vormen sindsdien samen het stadsdeel Val Colla.

Bevolking en economie De bevolking van het gehele dal groeide tot het begin van de 20e eeuw en nam daarna sterk af:

Jaar Inwoners 1591 610 1900 1765 1950 1131 2000 816

In de tweede helft van de 20e eeuw trad enig herstel op door de uitbreiding van de agglomeratie Lugano. De stad Lugano vermeldt voor het huidige stadsdeel 1.326 inwoners.

De traditionele bestaansmiddelen waren landbouw, veeteelt, bosbouw en seizoensarbeid buiten het dal. Houtkap was belangrijk, maar overmatige ontbossing veroorzaakte in de 19e eeuw erosie en aardverschuivingen; in 1881 begon een herbebossingsproject. Na de aanleg van de weg nam de gerichtheid op Lugano toe. Het aandeel van de landbouw in de werkgelegenheid daalde, terwijl meer bewoners in de dienstensector of buiten het dal gingen werken. Tegenwoordig zijn ook tweede woningen en wandeltoerisme van betekenis. Wandelroutes voeren onder meer door de beuken-, sparren- en berkenbossen bij Cimadera naar de Capanna Pairolo.

De magnani Kenmerkend voor de Val Colla waren de magnani: rondtrekkende ketellappers, koperslagers en vertinners. Hun seizoensmigratie is vanaf 1484 gedocumenteerd. Zij reisden vooral door Midden- en Oost-Lombardije, maar ook naar andere delen van Europa en later naar de Verenigde Staten, om pannen, ketels en andere koperen gebruiksvoorwerpen te herstellen. Hun uitrusting bestond uit weinig meer dan een draagbaar hout- of kolenfornuis, een blaasbalg en een tas met gereedschap.

De benaming stagnini, die eveneens voor deze ambachtslieden werd gebruikt, verwijst naar het vertinnen van koperen vaatwerk: de binnenzijde kreeg een dun laagje tin, terwijl gaten werden gedicht en deuken werden uitgeklopt.

De magnani gebruikten onderling het rügin, een geheim vakjargon dat was gebaseerd op het plaatselijke dialect. Het hielp de rondreizende vaklieden elkaar te herkennen en kennis binnen de beroepsgroep te houden.

Categorie:Dal in Zwitserland Categorie:Geografie van Ticino Categorie:Lugano