Jodocus Heringa Eliza's zoon (ook Jouke Heringa, doorgaans afgekort als Jodocus Heringa Ezn.; Gorredijk, 14 oktober 1765 – Utrecht, 18 januari 1840) was een Nederlands-hervormd predikant en theoloog. Hij was vanaf 1794 hoogleraar aan de Universiteit Utrecht en bekleedde daar driemaal het rectoraat. Als docent en exegeet gaf hij de bestudering van het Nieuwe Testament en de praktische vorming van predikanten een belangrijke plaats in het Utrechtse theologieonderwijs.
Leven en loopbaan Heringa was een zoon van Eliza Heringa, genees- en heelmeester en later procureur-fiscaal te Leeuwarden, en Janke Halbertsma. Zijn gelijknamige grootvader Jodocus Heringa en zijn oom Johannes Heringa waren predikant. Na de Latijnse school in Groningen werd Heringa op 9 maart 1780, op veertienjarige leeftijd, ingeschreven aan de universiteit aldaar. Hij studeerde klassieke en Semitische talen en vervolgens theologie. Onder zijn leermeesters waren Nikolaus Wilhelm Schröder, Theodorus Lubbers en vooral Petrus Abresch. Onder diens leiding verdedigde hij op 7 december 1785 in Groningen zijn Dissertatio philologico-theologica de formula baptismi, over de doopformule.
Op 25 april 1786 werd Heringa door de classis Leeuwarden toegelaten als proponent. Hij werkte vanaf mei van dat jaar als hulpprediker in Nijkerk en werd er op 8 oktober 1786 als predikant bevestigd. Op 11 december 1791 deed hij intrede in Vlissingen. In januari 1794 werd hij benoemd tot hoogleraar in de godgeleerdheid te Utrecht, een functie waaraan aanvankelijk ook een volledige predikdienst was verbonden. Op zijn eigen verzoek verleende de Utrechtse universiteit hem op 2 april 1794 de graad van doctor in de theologie; Hermannus Royaards trad daarbij op als promotor. Heringa aanvaardde zijn leerstoel op 5 juni met de rede Oratio de theologiae in scholis institutione ad praesentem reipublicae christianae conditionem prudenter accommodanda, over de aanpassing van het theologieonderwijs aan de toestand van kerk en samenleving.
Heringa bedankte in 1797 voor een benoeming als predikant en hoogleraar aan het Athenaeum Illustre in Amsterdam en in 1799 voor een leerstoel in Leiden. In Utrecht werd zijn leeropdracht achtereenvolgens omschreven als godgeleerdheid, natuurlijke en vooral christelijke theologie, en uitlegkunde van het Nieuwe Testament. Hij was rector magnificus in 1798–1799, gedurende de uitzonderlijk lange periode 1811–1816 en opnieuw in 1824–1825. Toen de universiteit onder het Franse bestuur in 1811 tot een school van lagere rang werd teruggebracht, behartigde hij als rector haar belangen. Na het herstel als rijksuniversiteit leidde hij in 1815 de herinwijding; in maart 1816 legde hij in een rectorale rede verantwoording af over de voorspoed en tegenslagen van de academie in deze jaren.
In 1835 verkreeg Heringa emeritaat, maar hij bleef daarna nog colleges verzorgen. Hij overleed in 1840 in Utrecht. Zijn omvangrijke bibliotheek, bekend als de Bibliotheca Heringana, bracht bij de openbare verkoop in 1841 ongeveer 14.000 gulden op.
Theologie en betekenis Heringa plaatste de dogmatiek onder het gezag van de uitleg van de Bijbel. Zijn uitgangspunt was dat bijbelse theologie en christelijke dogmatiek niet wezenlijk van elkaar mochten worden losgemaakt, maar hij wilde de exegese niet door een vooraf gegeven dogmatisch stelsel laten beheersen. In zijn uitlegkunde volgde hij de hermeneutische beginselen van Johann August Ernesti die hij via Abresch had leren kennen. Naast nieuwtestamentische exegese en tekstkritiek besteedde hij veel aandacht aan kerkgeschiedenis en aan de praktische opleiding van aanstaande predikanten. Zijn onderwijs beïnvloedde gedurende bijna een halve eeuw een groot aantal hervormde predikanten. Historicus Fred van Lieburg rekent zijn theologie tot het achttiende- en vroegnegentiende-eeuwse supranaturalistisch rationalisme: een poging om het gezag van openbaring en Bijbel te verbinden met rede, geleerdheid en verdraagzaamheid.
In de eerste jaren van zijn hoogleraarschap werd Heringa door rechtzinnige tegenstanders van onorthodoxe opvattingen verdacht. Een conflict met zijn Utrechtse collega's Gijsbertus Bonnet en Hermannus Royaards leidde in 1803 en 1804 tot zijn Afgeperste verdediging en twee vervolgen daarop. Heringa presenteerde zich daarin als bijbels theoloog, zonder de kerkelijke leer doelbewust te willen bestrijden. In de jaren 1830 koos hij in het debat over de Drie Formulieren van Enigheid juist positie tegen de ruimere uitleg van de Groninger Godgeleerden. In zijn Berigt aangaande zeven stellingen (1834) betoogde hij dat hervormde predikanten de hoofdpunten van de belijdenis aanvaardden omdat deze volgens hen met de Bijbel overeenstemden. Tijdens de hervormde synode van 1835 drong hij tevergeefs aan op een nadere uitleg van het ondertekeningsformulier.
Een concreet resultaat van Heringa's tekstkritische belangstelling was zijn onderzoek naar de Codex Boreelianus, een middeleeuws Grieks handschrift van de vier evangeliën waarvan de verblijfplaats lange tijd onbekend was geweest. In 1823 herkende hij een hem getoond fragment als het handschrift dat Johann Jakob Wettstein onder de aanduiding F had beschreven. Heringa bestudeerde de codex; zijn opvolger Henricus Egbertus Vinke gaf zijn onderzoek in 1843 postuum uit en verwierf het handschrift voor de Universiteitsbibliotheek Utrecht.
Heringa publiceerde geen allesomvattend dogmatisch standaardwerk. De stof van zijn colleges legde hij wel vast in een omvangrijk Latijns manuscript van 778 kwartobladen. Ook zijn studenten maakten collegedictaten; een Nederlandstalige samenvatting onder de titel Christelijke godgeleerdheid is bewaard gebleven in Tresoar.
Persoonlijk leven Heringa trouwde in 1787 met Geertruida Wolvega, die in 1796 overleed. Uit dit huwelijk bereikten onder anderen de zoons Koenraad en Eliza de volwassen leeftijd; beiden werden predikant. Op 28 april 1803 hertrouwde hij met Clara Judith Nagel, die in 1825 overleed. Dit tweede huwelijk bleef kinderloos.
Publicaties (selectie) Dissertatio philologico-theologica de formula baptismi (1785) Vertoog over het vereischt gebruik, en hedendaagsch misbruik der kritiek, in de behandeling der Heilige Schriften (1790) Afgeperste verdediging (1803), met Vervolg (1803) en Tweede vervolg (1804) Verklaring der Bergrede van Jezus (1814) Tiental Bijbeloefeningen in leerredenen (1818) Kerkelijke Raadvrager en Raadgever (vier delen, 1819–1843) Tiental Leerredenen ter aanprijzing van Christelijke deugden (1826) Berigt aangaande zeven stellingen, betreffende Formulieren van Eenigheid des geloofs in de Nederlandsche Hervormde Kerk (1834) Disputatio de codice Boreeliano nunc Rheno-Trajectino (postuum uitgegeven door H.E. Vinke, 1843) Opera exegetica et hermeneutica (postuum uitgegeven door H.E. Vinke, 1845)
Lidmaatschappen en onderscheiding Heringa was onder meer lid van het Provinciaal Utrechts Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, de Koninklijke Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen, het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen en de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Hij was corresponderend lid van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen en lid van de derde klasse van het Koninklijk Nederlandsch Instituut, de voorloper van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. Hij werd benoemd tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.
Literatuur A. de Groot, 'Heringa, Eliza's zoon, Jodocus', in: D. Nauta e.a. (red.), Biografisch lexicon voor de geschiedenis van het Nederlands protestantisme, deel 3, Kampen: Kok, 1988, p. 181–185. .
Externe links Jodocus Heringa Eliza's zoon in het Biografisch Portaal Jodocus Heringa Eliza's zoon in de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren
Categorie:Nederlands theoloog Categorie:Nederlands predikant Categorie:Hoogleraar aan de Universiteit Utrecht Categorie:Rector magnificus van de Universiteit Utrecht Categorie:Nieuwtestamenticus Categorie:Orde van de Nederlandse Leeuw Categorie:Persoon in de Nederlanden in de 18e eeuw Categorie:Nederlands persoon in de 19e eeuw