Joseph Wilhelm Karl Kleutgen (Dortmund, 9 april 1811 – Sankt Anton bij Kaltern, 13 januari 1883) was een Duits jezuïet, rooms-katholiek theoloog en filosoof. Hij behoorde tot de voornaamste vertegenwoordigers van de negentiende-eeuwse neoscholastiek. Vooral zijn werken Die Theologie der Vorzeit en Die Philosophie der Vorzeit droegen bij aan de herwaardering en systematische herformulering van de scholastieke filosofie en theologie binnen het katholicisme.
Kleutgen vervulde verschillende functies binnen de Sociëteit van Jezus en de Romeinse Curie. Tijdens het Eerste Vaticaans Concilie werkte hij mee aan de herziening van een doctrinair schema dat aan de basis lag van de dogmatische constitutie Dei Filius. Zijn gedachtegoed vormde daarnaast een belangrijke achtergrond voor de neoscholastieke koers die onder paus Leo XIII kerkelijk werd bevorderd. De vaak herhaalde bewering dat Kleutgen zelf de auteur van de encycliek Aeterni Patris (1879) was, kan volgens biografisch onderzoek echter niet worden aangetoond.
Leven
Opleiding en toetreding tot de jezuïeten Kleutgen werd op 9 april 1811 in Dortmund geboren. In 1830 begon hij in München een studie waarin hij zich onder meer bezighield met klassieke filologie, esthetica, geschiedenis en filosofie. Hij volgde er ook colleges van de filosoof Franz Xaver von Baader. Tijdens zijn studietijd was hij betrokken bij de studentenvereniging Germania. Nadat de politieke situatie rond dergelijke studentenverenigingen verscherpte, vervolgde hij zijn opleiding elders.
In 1832 begon Kleutgen een theologische opleiding in Münster, waarna hij in 1833 naar het seminarie in Paderborn ging. In 1834 trad hij in Brig in het noviciaat van de jezuïeten. Om zich aan nasporingen door de Pruisische autoriteiten te onttrekken gebruikte hij gedurende een aantal jaren de naam Josef Peters. In deze periode verkreeg hij ook het Zwitserse staatsburgerschap.
Vanaf 1836 studeerde hij filosofie in Fribourg. In 1837 werd hij tot priester gewijd. Hij zette vervolgens zijn theologische studie voort en doceerde enige tijd natuurrecht. Van 1841 tot 1843 was hij docent retorica in Brig.
Werk in Rome In 1843 werd Kleutgen naar Rome geroepen. Hij was er verbonden aan instellingen van de jezuïeten en werd in 1848 docent retorica aan het Collegium Germanicum. Tot zijn leerlingen behoorden latere katholieke geleerden als Joseph Hergenröther, Franz Hettinger en Matthias Joseph Scheeben.
In 1851 werd Kleutgen consultor van de Congregatie van de Index. Vanuit die functie raakte hij betrokken bij de kerkelijke beoordeling van enkele filosofisch-theologische stromingen die door Rome kritisch werden gevolgd. De precieze omvang van zijn persoonlijke aandeel in afzonderlijke procedures, onder meer die rond de Duitse filosoof Anton Günther, kan volgens later onderzoek niet steeds met zekerheid worden vastgesteld. Van 1858 tot 1862 was hij secretaris van de Sociëteit van Jezus.
In deze Romeinse periode begon Kleutgen ook zijn belangrijkste werken te publiceren. Vanaf 1853 verscheen Die Theologie der Vorzeit, gevolgd door Die Philosophie der Vorzeit in 1860–1863. Beide werken werden belangrijke teksten binnen de zich ontwikkelende neoscholastiek.
Sant'Ambrogio Een episode die lange tijd slechts onvolledig in de biografische literatuur over Kleutgen werd behandeld, betreft zijn betrokkenheid bij het klooster Sant'Ambrogio della Massima in Rome. Kleutgen trad er, opnieuw onder de naam Giuseppe of Josef Peters, op als biechtvader. Het klooster werd onderwerp van een onderzoek van het Heilig Officie naar ernstige misstanden binnen de gemeenschap. Het kerkelijke proces werd in 1862 afgesloten met veroordelingen van verschillende betrokkenen, waaronder de biechtvaders. Kleutgen moest Rome daarop verlaten.
De zaak betekende niet het einde van zijn kerkelijke loopbaan. In 1864 werd hij opnieuw naar Rome geroepen om zitting te nemen in een studiecommissie van de jezuïeten. De betekenis van de Sant'Ambrogio-affaire voor Kleutgens biografie is in de moderne historiografie duidelijker geworden door onderzoek naar de dossiers van het Heilig Officie.
Eerste Vaticaans Concilie Tijdens het Eerste Vaticaans Concilie (1869–1870) kreeg Kleutgen opnieuw een invloedrijke theologische rol. Toen bisschop Konrad Martin van Paderborn in 1870 belast werd met de herziening van het schema De doctrina catholica, riep hij Kleutgen als medewerker naar zich toe. Volgens kerkhistoricus John W. O'Malley speelde Kleutgen vanaf dat moment een belangrijke rol bij de werkzaamheden aan het schema. De herwerking droeg bij aan de totstandkoming van de dogmatische constitutie Dei Filius, waarin het concilie onder meer de verhouding tussen geloof, rede en goddelijke openbaring behandelde.
Kleutgen oefende volgens Wilhelm Baum eveneens invloed uit op de discussies over de pauselijke onfeilbaarheid. De uiteindelijk op 18 juli 1870 aangenomen formulering was echter niet van Kleutgens hand; Baum schrijft deze formulering toe aan kardinaal Paul Cullen.
Na het concilie verbleef Kleutgen voornamelijk buiten Rome. In 1870 reisde hij naar Zuid-Tirol en in 1871 verbleef hij in Gorizia. Van 1872 tot 1878 woonde en werkte hij opnieuw in Zuid-Tirol. In deze periode werkte hij aan zijn Institutiones theologicae.
Laatste jaren In 1878 riep paus Leo XIII Kleutgen terug naar Rome. Hij werd studieprefect aan de Pauselijke Universiteit Gregoriana en opnieuw consultor van de Congregatie van de Index.
De intellectuele koers van Leo XIII sloot nauw aan bij het neoscholastieke project waaraan Kleutgen gedurende tientallen jaren had gewerkt. Vooral de encycliek Aeterni Patris uit 1879 gaf een krachtige impuls aan de studie van de scholastieke filosofie en van Thomas van Aquino. Kleutgen wordt in oudere literatuur soms als auteur of opsteller van deze encycliek genoemd. Voor een dergelijke rechtstreekse auteursrol bestaat volgens Baum echter onvoldoende bewijs.
Na een beroerte legde Kleutgen in 1879 zijn functies in Rome neer en keerde hij terug naar Zuid-Tirol. Hij overleed op 13 januari 1883 in Sankt Anton bij Kaltern.
Theologie en filosofie Kleutgens werk moet worden geplaatst tegen de achtergrond van de katholieke intellectuele debatten van de negentiende eeuw. Verschillende katholieke denkers probeerden in deze periode de verhouding tussen kerkelijke traditie en moderne filosofie opnieuw te bepalen. Tegenover systemen die waren verbonden met onder anderen Georg Hermes, Johann Baptist von Hirscher en Anton Günther verdedigde Kleutgen de blijvende filosofische en theologische bruikbaarheid van de scholastieke traditie.
Zijn doel was niet alleen het historisch beschrijven van middeleeuwse scholastieke auteurs. Hij wilde aantonen dat scholastieke methoden en begrippen ook gebruikt konden worden om eigentijdse filosofische en theologische vragen te behandelen. Peter Henrici rekent Kleutgen daarom, samen met de Italiaanse jezuïet Matteo Liberatore, tot de pioniers van de neoscholastieke beweging.
In zijn kennistheorie trachtte Kleutgen volgens Henrici te laten zien dat scholastieke filosofen reeds een uitgewerkte theorie van menselijke kennis hadden ontwikkeld die met moderne theorieën kon worden vergeleken. Waar Liberatore een strikter thomistische benadering volgde, vertrok Kleutgen vooral vanuit de handeling van het kennen en de wijze waarop het verstand uit het gegevene tot begripsmatige kennis komt.
Gerald A. McCool behandelt Kleutgens theologie als een omvangrijke poging om apologetiek, positieve theologie en speculatieve theologie binnen een gemeenschappelijk scholastiek kader te ordenen. Daardoor werd Kleutgen een van de theoretici die de negentiende-eeuwse scholastieke herleving van een systematische grondslag voorzagen.
Betekenis en receptie Kleutgens belangrijkste werken hadden een aanzienlijke invloed op de ontwikkeling van de katholieke neoscholastiek. Henrici karakteriseert hem als een van de pioniers van deze beweging, terwijl McCool meerdere hoofdstukken van zijn geschiedenis van de negentiende-eeuwse scholastiek aan Kleutgens filosofische en theologische synthese en haar verhouding tot Dei Filius en Aeterni Patris wijdt.
Ook in recenter academisch onderzoek blijven zijn twee Vorzeit-werken centraal staan. In een proefschrift aan de Universiteit van Notre Dame uit 2020 beschrijft Troy A. Stefano deze werken als een programmatische formulering van het project van de opkomende neoscholastiek.
Zijn historische betekenis ligt daardoor zowel in zijn eigen theologische en filosofische publicaties als in zijn deelname aan kerkelijke intellectuele en doctrinaire ontwikkelingen in de tweede helft van de negentiende eeuw. Tegelijk heeft moderner archiefonderzoek aspecten van zijn persoonlijke en kerkelijke loopbaan, in het bijzonder de zaak-Sant'Ambrogio, aan het licht gebracht die in oudere biografische en confessionele naslagwerken nauwelijks of onvolledig werden behandeld.
Werken Een selectie uit Kleutgens publicaties:
Ueber die alten und die neuen Schulen (1846) Ueber den Glauben an das Wunderbare (1846) Ars dicendi (1847) Die Theologie der Vorzeit (vanaf 1853; herziene vijfdelige uitgave, 1867–1874) Die Philosophie der Vorzeit (2 dln., 1860–1863; herziene uitgave, 1878) Die Verurteilung des Ontologismus (1868) Ueber die Wünsche, Befürchtungen und Hoffnungen in Betreff der bevorstehenden Kirchenversammlung (1869) De Romani Pontificis suprema potestate docendi (1870) Zur Lehre vom Glauben (1875) Institutiones theologicae, waarvan De ipso Deo in 1881 verscheen Das Evangelium des heiligen Matthäus (1882)
Literatuur
Verder lezen
Categorie:Duits jezuïet Categorie:Duits rooms-katholiek priester Categorie:Duits theoloog Categorie:Duits filosoof