Kunsthandel D. Katz was een Nederlandse kunsthandel, gespecialiseerd in Nederlandse en Vlaamse kunst uit de zestiende en zeventiende eeuw.

Oorsprong De kunsthandel kwam voort uit de antiekhandel die David Katz in 1876 in Dieren had opgezet.Hellema, P. and Marsman, J. (2024) Kunsthandel Katz: een dynastie van joodse kunsthandelaren 1876-1995. Zwolle: Waanders Uitgevers Vanaf 1930 werd de zaak geleid door zijn zonen Nathan Katz (1893–1949) en Benjamin Katz (1891–1962), die de enige vennoten van de firma waren. Op 1 mei 1940 opende de firma een tweede vestiging in Den Haag.

Samen met kunsthandel Goudstikker in Amsterdam behoorde D. Katz destijds tot de grotere kunsthandels van Nederland.

Tweede Wereldoorlog Bij het begin van de Tweede Wereldoorlog deden de gebroeders Katz zaken met de Duitse bezetter en verkochten zij kunstwerken aan onder anderen Hermann Göring, Adolf Hitler en Alois Miedl. Miedl had in mei 1940 kunsthandel Goudstikker overgenomen, nadat de oorspronkelijke eigenaar Jacques Goudstikker was omgekomen tijdens zijn vlucht naar Engeland. Vooral Nathan Katz onderhield daarnaast nauwe contacten met dr. Hans Posse, die in opdracht van Hitler de collectie voor het geplande Führermuseum in Linz samenstelde; in ruil voor voortgezette dienstverlening aan dit inkoopprogramma genoten de broers tijdelijk enige bescherming tegen anti-joodse maatregelen.

Op 17 februari 1941 ging de firma D. Katz, in het kader van de ariseringArisering of verarisering: de verdrijving van de joden uit het beroeps- en economische leven door de anti-Joodse wetten van de nazi's (...) en in het bijzonder de overdracht van joods bezit in "Arische" handen. (zie ) van joodse ondernemingen, in liquidatie. Om de bedrijfsvoering te kunnen voortzetten, werd op 19 mei 1941 de naamloze vennootschap Schilderijen- en Antiquiteitenhandel v/h D. Katz N.V. opgericht, met niet-joodse zakenrelaties als directeuren.

In 1942 bood Nathan Katz een schilderij van Rembrandt van Rijn, dat zich in Zwitserland bevond, aan Posse aan in ruil voor uitreistoestemming. In februari 1942 vluchtte Nathan Katz naar Zwitserland. Benjamin Katz vluchtte op 20 oktober 1942, samen met circa 24 familieleden, per trein naar Spanje, waarna het schilderij werd vrijgegeven. Per boot vertrok Benjamin Katz naar Jamaica. Nathan Katz vestigde een kunsthandel in Bazel. Op 1 juni 1943 werd de oorspronkelijke firma D. Katz officieel opgeheven.

Naoorlogse periode Na de bevrijding keerde Benjamin Katz terug naar Dieren. De tijdens de bezetting aangestelde directeuren traden af en de firma werd voortgezet door Benjamin Katz. Na de oorlog onderzocht de Politieke Recherche of de kunsthandel zich schuldig had gemaakt aan handel met de vijand. Uit dit onderzoek bleek in 1947 dat de broers inderdaad kunstwerken aan Duitse kopers hadden geleverd en dat Nathan Katz daarbij als betaald deskundige voor de Duitsers optrad. De zaak werd echter geseponeerd, omdat niet kon worden vastgesteld of deze verkopen vrijwillig waren gebeurd.

Na Nathans overlijden in augustus 1949 werd zijn Zwitserse kunsthandel voortgezet door zijn zoon David, aanvankelijk in Bazel en later in Sankt Moritz. Nathans nalatenschap werd op 7 december 1950 en 25 april 1951 geveild bij Charpentier in Parijs.

De vestiging in Den Haag, die in 1942 was gesloten, werd in 1952 heropend en er werden weer tentoonstellingen gehouden. Na Benjamins overlijden op 20 januari 1962 werd zijn kunstverzameling geveild bij Paul Brandt.Algemeen Handelsblad, 4 mei 1963. Belangrijke kunstveilling te Dieren Zijn zonen Daniël, Nico en Nathan Katz zetten de firma nog enige tijd voort. De laatst bekende tentoonstelling van de firma vond in juni 1964 plaats in Dieren. Per 1 januari 1974 werd de kunsthandel ontbonden en opgeheven.

Categorie:Kunst in Nederland Categorie:Nasleep Tweede Wereldoorlog in Nederland Categorie:Nederlands kunsthandelaar Categorie:Kunstroof