Milpol was een benaming voor een Belgische private, anticommunistische inlichtingendienst en voor een deel van het clandestiene netwerk dat na de Tweede Wereldoorlog werd uitgebouwd rond voormalig verzets- en inlichtingenagent André Moyen. De organisatie verzamelde aanvankelijk zowel militaire als politieke inlichtingen, waaraan de naam Milpol werd ontleend. In latere fasen gebruikte het bredere netwerk ook andere benamingen en combineerde het inlichtingenwerk met clandestiene acties.

De precieze ontstaansgeschiedenis is niet volledig opgehelderd. Rudi Van Doorslaer en Etienne Verhoeyen reconstrueerden dat in 1946 besprekingen tussen kolonel René Mampuys, Marcel De Roover en Herman Robiliart leidden tot de oprichting van een privé-inlichtingendienst, waarvan de leiding aan Moyen werd toevertrouwd. Later archiefonderzoek door Emmanuel Gerard, Widukind De Ridder en Françoise Muller wees er daarentegen op dat het bredere netwerk rond Moyen vermoedelijk al vanaf augustus 1945 operationeel was. De onderzoekers konden niet alle vragen over het initiatief, de eerste financiering en de oorspronkelijke organisatie beantwoorden.

Ontstaan en benaming Moyen had tijdens de Tweede Wereldoorlog gewerkt in clandestiene inlichtingenstructuren, waaronder de dienst Athos. Na de bevrijding bouwde hij met voormalige medewerkers en andere contacten een nieuw anticommunistisch netwerk uit. In de reconstructie van Van Doorslaer en Verhoeyen speelden Mampuys, De Roover en Robiliart in 1946 een rol bij de institutionalisering daarvan. De Roover was verbonden aan Brufina, de holding rond de Bank van Brussel, terwijl Robiliart een leidinggevende functie bekleedde bij de Union Minière du Haut-Katanga.

Een nota van de Veiligheid van de Staat uit januari 1951, die bij het latere historische onderzoek werd teruggevonden, rangschikte de organisatie onder de private inlichtingendiensten. Daarin werd een dienst van de Bank van Brussel beschreven die op initiatief van baron Paul de Launoit zou zijn opgericht, met De Roover in een leidinggevende positie en Moyen als voornaamste agent. Die bron vormt een aanwijzing voor de betrokkenheid van deze financiële kringen, maar lost de onzekerheid over de precieze ontstaansgeschiedenis niet volledig op.

De naam Milpol verwees naar de militaire en politieke aard van de informatie die aanvankelijk moest worden verzameld. Het latere archiefonderzoek maakt daarbij onderscheid tussen Milpol en het ruimere netwerk rond Moyen. Aanvankelijk was het netwerk vooral in Namen en Luxemburg verankerd en werd daar de naam Milpol gebruikt. Vanaf eind 1947 en begin 1948 werden in Brabant, Antwerpen en Henegouwen onderdelen onder de naam Belgisch Anticommunistisch Blok (BACB) actief. In het Luikse industriegebied bestond eveneens een netwerk, zonder dat daarvoor in de geraadpleegde bronnen een afzonderlijke naam werd aangetroffen.

Organisatie en activiteiten Het netwerk bouwde voort op organisatorische modellen uit het verzet. Voormalige leden van Athos namen er belangrijke functies in op en Moyen werkte met provinciale verantwoordelijken, agenten en informanten. De werkzaamheden beperkten zich niet tot het verzamelen en doorgeven van politieke en militaire informatie. Het bredere netwerk rond Moyen beschikte ook over een actiecomponent en organiseerde anticommunistische clandestiene activiteiten.

De organisatie richtte zich in de eerste plaats tegen wat haar leden als communistische of Sovjet-geïnspireerde subversie beschouwden. De rapporten en activiteiten moeten in de context van het vroege Koude-Oorlogsklimaat worden geplaatst. Historisch onderzoek heeft daarbij tevens vastgesteld dat informatie afkomstig van Moyen en zijn agenten niet zonder meer als betrouwbaar kan worden beschouwd. Officiële diensten onderzochten onder meer berichten over vermeende wapendroppings voor communisten, waarbij bepaalde beweringen van Milpol-agenten ongegrond bleken.

Financiering Verschillende onderzoeken verbinden de financiering van het netwerk met belangrijke Belgische financiële en industriële groepen. Van Doorslaer en Verhoeyen schreven dat de in 1946 georganiseerde privé-inlichtingendienst vooral door de Société Générale de Belgique en Brufina werd gefinancierd.

Gerard, De Ridder en Muller konden die financiële betrokkenheid later gedeeltelijk met bedrijfsarchieven reconstrueren. Zij vonden in de archieven van de Union Minière onder meer documenten waaruit blijkt dat Herman Robiliart rapporten van Moyen ontving en geselecteerde stukken doorgaf binnen de hiërarchie van de Société Générale. Ook de Bank van Brussel en Brufina komen in het bronnenmateriaal als financiers of financiële tussenpersonen voor. De precieze omvang en chronologie van de betalingen in de eerste naoorlogse jaren konden echter niet volledig worden vastgesteld.

Ook recenter bedrijfshistorisch onderzoek omschrijft Milpol als een private anticommunistische inlichtingendienst die door de Société Générale werd gefinancierd en plaatst de betrokkenheid van Robiliart in de bredere anticommunistische politiek van kringen rond de Union Minière.

Contacten met officiële diensten Hoewel Milpol en het bredere netwerk private organisaties waren, onderhield Moyen contacten met personen binnen Belgische politie- en inlichtingendiensten. Het onderzoek van Gerard, De Ridder en Muller documenteert onder meer informatie-uitwisseling en contacten met leden van de gerechtelijke politie. De aard van die relaties verschilde naar gelang van plaats, dienst en periode. Tegelijk kwam Moyen ook in conflict met officiële instanties, waaronder de Veiligheid van de Staat.

De verhouding tot de naoorlogse Belgische stay-behindstructuren is niet definitief vastgesteld. Gerard, De Ridder en Muller stellen vast dat het netwerk in zijn organisatie en latere ontwikkeling kenmerken van een stay-behindnetwerk vertoonde. Zij vonden echter geen aanwijzingen dat Moyen betrokken was bij de officiële Belgisch-Brits-Amerikaanse besprekingen over stay-behindstructuren. Evenmin konden zij vaststellen of het private netwerk later via Mampuys in een officiële structuur werd opgenomen. Milpol zonder meer gelijkstellen met het officiële Belgische stay-behindapparaat is op basis van deze bronnen daarom niet gerechtvaardigd.

Crocodile in Belgisch-Congo Vanaf 1948 werd een verwant netwerk in Belgisch-Congo uitgebouwd onder de naam Crocodile. Historica Anne-Sophie Gijs beschrijft hoe Robiliart Moyen in 1948 betrok bij de oprichting van een Congolese tegenhanger van het Belgische anticommunistische netwerk. Ook later bedrijfshistorisch onderzoek beschrijft Crocodile als een door Robiliart uitgebouwd netwerk dat parallel liep aan Milpol en aanvankelijk aan hem rapporteerde.

Het verslag van de Belgische parlementaire onderzoekscommissie over de moord op Patrice Lumumba behandelde Crocodile op basis van het dossier-Moyen bij de Veiligheid van de Staat. Volgens een daarin opgenomen historische nota was Crocodile vanaf 1 januari 1948 de Congolese afdeling van een uitgebreider Réseau Milpol, met vergelijkbare antisovjet- en antisubversieve doelstellingen. De commissie waarschuwde tegelijk dat de beschikbare documentatie over Crocodile schaars was en dat informatie uit inlichtingendossiers kritisch moest worden beoordeeld.

Moord op Julien Lahaut Het netwerk rond Moyen kreeg bijzondere aandacht in het historische onderzoek naar de moord op de communistische politicus Julien Lahaut, die op 18 augustus 1950 in Seraing werd doodgeschoten. Het onderzoek van Gerard, De Ridder en Muller uit 2015 concludeerde op basis van nieuw archiefmateriaal dat de aanslag afkomstig was uit het bredere anticommunistische netwerk rond Moyen. Een maandrapport van Moyen over augustus 1950 speelde in die reconstructie een belangrijke rol.

Gerard plaatste deze bevindingen in een latere wetenschappelijke publicatie in de context van de anticommunistische campagne en de vroege Koude Oorlog in België. Omdat het netwerk tegen 1950 verschillende regionale benamingen en structuren kende, is het nauwkeuriger de aanslag aan het bredere netwerk rond Moyen toe te schrijven dan de daders zonder nadere kwalificatie met de naam Milpol aan te duiden.

Historiografie Van Doorslaer en Verhoeyen publiceerden in 1985 de eerste omvangrijke historische studie over de zaak-Lahaut en de Belgische anticommunistische clandestiene milieus. Hun studie werd in 2010 opnieuw uitgegeven met een nieuwe inleiding. Voor hun reconstructie van Milpol waren zij voor een belangrijk deel afhankelijk van verklaringen die Moyen zelf had afgelegd.

Het onderzoek van Gerard, De Ridder en Muller kon vanaf 2011 een bredere reeks archieven raadplegen en bevestigde het bestaan van het netwerk met documentatie die niet van Moyen zelf afkomstig was. Het maakte tevens een meer gedifferentieerd onderscheid mogelijk tussen Milpol als vroege of regionale benaming en het ruimere netwerk rond Moyen. Niet alle aspecten konden worden gereconstrueerd: met name over de exacte oprichting, de eerste financiering en de mogelijke latere institutionele inbedding bleven onzekerheden bestaan.

Literatuur

Categorie:Koude Oorlog Categorie:Anticommunisme