miniatuur|Pierre Hadot Pierre Hadot (Parijs, 21 februari 1922 – Orsay, 25 april 2010) Droit vermeldt dat Hadot in de nacht van 24 op 25 april overleed. Het Collège de France geeft als overlijdensdatum 24 april 2010. was een Frans filosoof, filoloog en historicus van de filosofie. Zijn onderzoek richtte zich in het bijzonder op de antieke en laat-antieke filosofie, waaronder het neoplatonisme en het stoïcisme. Hij werd daarnaast bekend door zijn interpretatie van de antieke filosofie als een manière de vivre (levenswijze), waarin praktijken die hij exercices spirituels (geestelijke of spirituele oefeningen) noemde een belangrijke plaats innamen.

Hadot publiceerde tekstkritische, historische en filosofische studies over onder anderen Plotinus, Porphyrius, Epictetus en Marcus Aurelius. Zijn onderzoek naar filosofie als levenswijze kreeg ook buiten de klassieke filosofiegeschiedenis weerklank en vormde een referentiepunt voor het late werk van Michel Foucault.

Leven en loopbaan

Jeugd, opleiding en priesterschap Hadot werd op 21 februari 1922 in Parijs geboren en groeide op in Reims, in een rooms-katholiek gezin. Hij volgde onderwijs aan het klein- en grootseminarie van Reims. Daar kreeg hij onder meer onderwijs in Grieks, Latijn en filosofie. Hij werd in 1944 tot priester gewijd. Na zijn priesterwijding studeerde hij verder in Parijs, onder meer aan de Sorbonne en het Institut catholique de Paris. In 1952 verliet hij het priesterschap en de Rooms-Katholieke Kerk.

In 1949 trad Hadot in dienst van het Centre national de la recherche scientifique (CNRS), waar hij achtereenvolgens verschillende onderzoeksfuncties vervulde. Hij bestudeerde er onder meer de Latijnse kerkvader Marius Victorinus en diens verhouding tot het neoplatonisme. Dit onderzoek mondde uit in Porphyre et Victorinus (1968), een tweedelige studie over de invloed van Porphyrius op Victorinus. Voor dit proefschrift ontving Hadot in 1969 onder meer de Prix Saintour van de Académie des inscriptions et belles-lettres.

Academische loopbaan Van 1949 tot 1964 werkte Hadot bij het CNRS. In 1964 werd hij directeur d'études aan de École pratique des hautes études (EPHE), waar zijn leeropdracht betrekking had op theologie en mystiek in de hellenistische en Romeinse periode. Hij bleef er tot 1985 werkzaam.

In 1982 werd hij verkozen tot hoogleraar aan het Collège de France, met de leerstoel Histoire de la pensée hellénistique et romaine (geschiedenis van het hellenistische en Romeinse denken). Michel Foucault had zijn kandidatuur ondersteund. Hadot bekleedde de leerstoel tot 1990 en werd in 1991 honorair hoogleraar.

Tot zijn onderscheidingen behoorden de zilveren medaille van het CNRS in 1979, een eredoctoraat van de Universiteit van Neuchâtel in 1985 en de Grand Prix de Philosophie van de Académie française in 1999.

Onderzoek en denken

Neoplatonisme en tekstgeschiedenis Hadots vroege wetenschappelijke werk lag op het snijvlak van filologie, patristiek en de geschiedenis van het neoplatonisme. Zijn studies van Marius Victorinus, Porphyrius en Plotinus droegen bij aan de twintigste-eeuwse herwaardering van de laat-antieke platonische traditie. Richard Goulet beschreef Hadots rol in de vernieuwing van het onderzoek naar het neoplatonisme als belangrijk en wees in het bijzonder op zijn onderzoek naar Porphyrius en Plotinus.

Naast monografieën verzorgde Hadot vertalingen, tekstuitgaven en commentaren van antieke auteurs. Zijn onderzoek verschoof geleidelijk van de reconstructie van doctrines en tekstoverlevering naar de vraag hoe filosofische teksten in de Oudheid functioneerden binnen concrete filosofische levensvormen.

Wittgenstein Hadot behoorde aan het einde van de jaren 1950 tot de vroege Franse onderzoekers die zich uitvoerig met Ludwig Wittgenstein bezighielden. Tussen 1959 en 1962 publiceerde hij studies over zowel de Tractatus Logico-Philosophicus als de Philosophische Untersuchungen. Deze teksten werden later bijeengebracht onder de titel Wittgenstein et les limites du langage.

Wittgensteins begrip van verschillende taalspelen speelde volgens latere onderzoekers een rol in Hadots eigen geschiedfilosofische methode. Hij benadrukte dat antieke filosofische teksten moesten worden gelezen in relatie tot de literaire vorm, historische omstandigheden en praktische doeleinden waarvoor zij waren geschreven, in plaats van ze zonder meer als moderne systematische verhandelingen te behandelen.

Filosofie als levenswijze Vanaf de jaren 1970 werkte Hadot een interpretatie van de antieke filosofie uit waarin het onderscheid tussen filosofisch discours en filosofische levenswijze centraal stond. Volgens deze benadering waren antieke filosofische scholen niet uitsluitend dragers van theoretische leerstellingen. Filosofische argumentatie, onderwijs en teksten stonden tevens in het kader van een gekozen manier van leven en van de vorming van degene die filosofeerde.

Hadot gebruikte hiervoor het begrip exercices spirituels. Daarmee bedoelde hij vrijwillige praktijken waarmee filosofen hun aandacht, oordeel, emoties en handelen probeerden te vormen. Tot de in zijn werk besproken voorbeelden behoren meditatie, zelfonderzoek, aandacht voor het huidige ogenblik, voorbereiding op tegenslag en het bezien van het menselijke bestaan vanuit een ruimer perspectief.

Het begrip spiritueel had bij Hadot niet uitsluitend een godsdienstige betekenis. Het verwees naar oefeningen die volgens hem de gehele manier van denken, waarnemen en handelen van de beoefenaar konden betreffen. Zijn benadering stelde theoretische argumentatie daarbij niet eenvoudig tegenover praktische oefeningen: rationeel onderzoek en filosofisch discours konden zelf onderdeel zijn van de filosofische vorming.

Hadot werkte deze interpretatie onder meer uit in Exercices spirituels et philosophie antique (1981), Qu'est-ce que la philosophie antique? (1995) en de gesprekkenbundel La philosophie comme manière de vivre (2001).

Marcus Aurelius Een belangrijke toepassing van Hadots benadering was zijn onderzoek naar de Meditaties van Marcus Aurelius. In La Citadelle intérieure. Introduction aux Pensées de Marc Aurèle (1992) behandelde hij de tekst niet als een onsystematisch privédagboek, maar plaatste hij de afzonderlijke notities binnen de leer en oefeningen van het stoïcisme. De herhaling en vorm van de aantekeningen kregen daardoor een pedagogische en praktische functie binnen Marcus Aurelius' filosofische leven.

Verhouding tot Michel Foucault Hadots onderzoek naar antieke levenspraktijken vormde een van de intellectuele referentiepunten voor Foucaults late onderzoek naar de zorg voor zichzelf en de geschiedenis van praktijken van het zelf. Arnold Davidson en Pierre Force hebben op deze invloed gewezen, terwijl Thomas Flynn heeft benadrukt dat Hadot en Foucault ondanks de overeenkomsten verschillende interpretaties van de antieke filosofische levenswijze ontwikkelden.

Hadot stond bovendien kritisch tegenover onderdelen van Foucaults verwerking van de antieke filosofie. De verhouding tussen beide denkers wordt daarom in de secundaire literatuur eerder als een combinatie van invloed, dialoog en verschil behandeld dan als een eenvoudige overdracht van één theorie.

Receptie en discussie Hadots interpretatie van de antieke filosofie heeft geleid tot een omvangrijke secundaire literatuur en tot toepassingen buiten zijn oorspronkelijke vakgebied. Zijn begrip van filosofie als levenswijze is onder meer besproken in onderzoek naar de geschiedenis van de filosofie, religie, filosofische praktijk en Foucault.

De interpretatie is ook bekritiseerd. De filosoof John M. Cooper betoogde onder meer dat Hadot aan geestelijke oefeningen een te centrale rol toekende en dat rationele argumentatie en theoretisch begrip sterker als het hart van de antieke filosofische levenswijze moesten worden opgevat. Latere auteurs hebben zowel deze kritiek als Hadots antwoorden op vergelijkbare bezwaren onderzocht. Daarmee is Hadots voorstelling van de antieke filosofie invloedrijk geworden zonder dat zij binnen het vakgebied als onomstreden geldt.

Selectie uit de bibliografie Een selectie van Hadots belangrijkste monografieën en bundels:

Plotin ou la simplicité du regard. Parijs: Plon, 1963. Porphyre et Victorinus. 2 delen. Parijs: Études augustiniennes, 1968. Exercices spirituels et philosophie antique. Parijs: Études augustiniennes, 1981. La Citadelle intérieure. Introduction aux Pensées de Marc Aurèle. Parijs: Fayard, 1992. Qu'est-ce que la philosophie antique?. Parijs: Gallimard, 1995. La philosophie comme manière de vivre. Entretiens avec Jeannie Carlier et Arnold I. Davidson. Parijs: Albin Michel, 2001. Le Voile d'Isis. Essai sur l'histoire de l'idée de Nature. Parijs: Gallimard, 2004. Wittgenstein et les limites du langage. Parijs: Vrin, 2004. N'oublie pas de vivre. Goethe et la tradition des exercices spirituels. Parijs: Albin Michel, 2008.

Literatuur

Externe link

Biografie en publicaties van Pierre Hadot bij het Collège de France

Categorie:Frans filosoof