De Belgische artsenstaking van 1964 was een landelijke staking van artsen in België van 1 tot 18 april 1964. De actie was gericht tegen onderdelen van de hervorming van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering die was vastgelegd in de wet van 9 augustus 1963, doorgaans de Wet-Leburton genoemd naar minister van Sociale Voorzorg Edmond Leburton. Historica Klaartje Schrijvers schat dat ongeveer 95 procent van de Belgische artsen aan de staking deelnam. Aan de vooravond van de staking vertegenwoordigden de vijf Syndicale Kamers naar schatting ongeveer 90 procent van het Belgische artsenkorps.
De staking vormde het hoogtepunt van een langer conflict over de organisatie en financiering van de Belgische ziekteverzekering, de vaststelling van medische honoraria en de professionele autonomie van artsen. Na bemiddeling door de rectoren van vier Belgische universiteiten bereikten regering en artsenorganisaties in de nacht van 17 op 18 april een bestand, waarna de Syndicale Kamers de staking beëindigden. De onderhandelingen werden daarna voortgezet en leidden op 25 juni 1964 tot het Sint-Jansakkoord, waarbij verscheidene omstreden bepalingen werden aangepast.
Achtergrond De verhouding tussen het Belgische artsenkorps, de overheid en de ziekenfondsen was al sinds de invoering van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering in 1945 gespannen. Artsenorganisaties hechtten veel belang aan onder meer het medisch beroepsgeheim, de vrije artsenkeuze, de therapeutische vrijheid en de mogelijkheid om honoraria in de verhouding tussen arts en patiënt vast te stellen. De uitbreiding van de rol van de overheid en de ziekenfondsen werd door een aanzienlijk deel van de georganiseerde medische beroepsgroep daarom als een mogelijke beperking van de professionele autonomie beschouwd.
Tegelijkertijd kampte de ziekteverzekering in de jaren 1950 met financiële problemen en stijgende uitgaven. Hervorming van het stelsel werd daardoor een terugkerend politiek vraagstuk. Edmond Leburton, die in 1961 minister van Sociale Voorzorg werd, speelde een centrale rol bij de verdere hervorming. Het conflict kan volgens latere onderzoekers worden geplaatst binnen een bredere naoorlogse ontwikkeling waarbij overheden in verschillende landen een grotere rol kregen in de financiering en organisatie van de gezondheidszorg, terwijl georganiseerde artsengroepen bezorgd waren over de gevolgen daarvan voor hun beroepsautonomie en honorering.
Wet-Leburton De formele basis van de hervorming was de Wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering. De wet werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 1 en 2 november 1963 op bladzijde 10555 en trad in hoofdzaak op 1 januari 1964 in werking. De bron vermeldt de officiële titel en publicatie als: Belgisch Staatsblad, 1 en 2 november 1963, p. 10555.
Een van de centrale doelstellingen van de regering was het financiële evenwicht van de ziekteverzekering te verbeteren. Het ontwerp voorzag onder meer in een regeling waarbij afspraken over medische honoraria in overeenkomsten of conventies werden vastgelegd. Daarnaast werd binnen het nieuwe Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (RIZIV) een dienst voor geneeskundige controle voorzien. Artsen die aan controle werden onderworpen, konden worden verplicht de voor de controle vereiste gegevens over hun prestaties te verstrekken.
Het RIZIV zelf was geen gevolg van de artsenstaking. Het instituut werd op 1 januari 1964 opgericht op basis van de wet van 9 augustus 1963 en volgde het Rijksfonds voor verzekering tegen ziekte en invaliditeit op.
De georganiseerde artsen richtten hun bezwaren vooral tegen de regeling van de honoraria, de controlemechanismen en wat zij zagen als aantasting van de vrije beroepsuitoefening. In hun eigen discours werd de hervorming geregeld voorgesteld als een ontwikkeling naar een sterk door de staat beheerste geneeskunde. Die voorstelling was een standpunt van de stakende artsen en geen algemeen aanvaarde beschrijving van de wet.
Organisatie van het artsenverzet In de jaren voorafgaand aan de staking ontstonden verschillende regionale Syndicale Kamers van Geneesheren. Zij ontwikkelden zich tot een nieuwe, militante organisatievorm binnen het artsenkorps. Onder de prominente organisatoren bevonden zich André Wynen en de Luikse arts Roger Thoné. De Syndicale Kamers bouwden een netwerk op waarmee informatie snel en grotendeels buiten de bestaande artsenorganisaties om kon worden verspreid.
Op 25 januari 1964 vond een tweede Staten-Generaal van de Belgische artsen plaats. Volgens de organisatoren namen ongeveer 8.000 artsen deel. Een directe aanleiding was het ontslag van drie artsen van het Brusselse ziekenhuis César De Paepe nadat zij hadden geweigerd een conventie te ondertekenen. De vergadering sprak zich uit tegen toetreding tot het voorgestelde conventiestelsel.
In de daaropvolgende maanden intensiveerden de Syndicale Kamers hun werving. Tegen eind maart vertegenwoordigden zij volgens Schrijvers ongeveer 90 procent van het artsenkorps. Marchildon en Schrijvers vermelden hetzelfde percentage in hun latere vergelijkende studie.
Staking Op 31 maart 1964 vond nog een langdurig overleg plaats tussen vertegenwoordigers van regering en artsen, maar dit leidde niet tot een compromis. In de vroege ochtend van 1 april maakte Roger Thoné namens de vijf Syndicale Kamers bekend dat de algemene staking was begonnen.
De actie was vooraf uitgebreid voorbereid. Een deel van de artsen verliet tijdens de staking het land en verbleef onder meer in plaatsen vlak over de grens. Andere artsen bleven beschikbaar voor georganiseerde wachtdiensten en spoedeisende hulp. Schrijvers noemt voor de totale staking een deelname van ongeveer 95 procent.
De verminderde beschikbaarheid van de gewone medische dienstverlening leidde snel tot extra druk op de ziekenhuizen. Volgens Marchildon en Schrijvers waren ziekenhuizen binnen enkele dagen overbelast, waarna de regering militaire ziekenhuizen voor de burgerbevolking openstelde. Tijdens het conflict circuleerden berichten waarin afzonderlijke ziektegevallen of overlijdens aan de staking werden toegeschreven. De onderzoekers wijzen er echter op dat beide partijen dergelijke incidenten in hun communicatie gebruikten terwijl voor causale toeschrijvingen weinig of geen overtuigend bewijs beschikbaar was. Om die reden kan uit de beschikbare literatuur geen betrouwbaar aantal slachtoffers van de staking worden afgeleid.
De regering nam daarnaast maatregelen om de medische dienstverlening te verzekeren. Zo werden artsen die tot de militaire reserve behoorden opgeroepen om zich voor ziekenhuisdienst te melden. De spanning tussen de regering en de Syndicale Kamers liep hierdoor verder op.
Bemiddeling en einde van de staking Op 9 april boden de rectoren van vier Belgische universiteiten aan om tussen regering en artsen te bemiddelen. Een eerste poging om de onderhandelingen tijdens het weekend van 11 en 12 april opnieuw op gang te brengen, leverde geen akkoord op.
Een nieuwe bemiddelingspoging volgde in de tweede helft van april. Op 16 en 17 april overlegden de rectoren opnieuw met beide partijen. In de nacht van 17 op 18 april werd een bestand bereikt. Nadat de Syndicale Kamers naar eigen oordeel voldoende waarborgen hadden gekregen dat de onderhandelingen over hun bezwaren zouden worden voortgezet, hieven zij de staking op. De staking had daarmee achttien dagen geduurd.
Sint-Jansakkoord en gevolgen Na de beëindiging van de staking gingen de onderhandelingen over de uitvoering van de ziekteverzekeringswet verder. Op 25 juni 1964 kwam het zogeheten Sint-Jansakkoord tot stand tussen de regering, vertegenwoordigers van de sociale partners, de ziekenfondsen en artsenorganisaties. Volgens de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid werden daarbij verschillende bepalingen van de hervorming afgezwakt en ontstond een periode die later als de pax medica werd aangeduid.
De staking leidde dus niet tot de oprichting van het RIZIV, dat al sinds 1 januari 1964 bestond, maar had wel invloed op de praktische uitwerking van de verhoudingen tussen artsen, ziekenfondsen en overheid. Het systeem van onderhandelde overeenkomsten over honoraria en terugbetaling bleef een belangrijk onderdeel van de Belgische ziekteverzekering.
Marchildon en Schrijvers stellen in hun vergelijkende analyse dat de Belgische artsen na het conflict hun positie als zelfstandige beroepsbeoefenaars en het contractuele systeem van betaling per prestatie in belangrijke mate behielden. Tegelijk slaagden zij er volgens dezelfde auteurs niet in om iedere overheidscontrole op de honoraria te verhinderen en behielden de sociale verzekeringsinstellingen een centrale rol in de financiering van de gezondheidszorg. De uitkomst wordt in die analyse daarom niet uitsluitend als een overwinning van een van beide partijen geïnterpreteerd.
Historiografie Het conflict kreeg zowel tijdens als na 1964 ruime aandacht. Het Centre de recherche et d'information socio-politiques (CRISP) publiceerde in 1964 afzonderlijke studies over de syndicalisering van het artsenkorps, het conflict rond de hervorming van de ziekte- en invaliditeitsverzekering en de maatschappelijke reacties op de staking. In 1967 verscheen bovendien een studie van econoom John V. Craven over de staking in Industrial and Labor Relations Review.
In 2005 publiceerde historica Klaartje Schrijvers een uitvoerige studie waarin zij onder meer gebruikmaakte van archiefmateriaal van de Syndicale Kamers. In 2011 plaatsten Gregory P. Marchildon en Schrijvers de Belgische staking in een vergelijkend internationaal perspectief naast de artsenstaking in Saskatchewan in Canada. Zij beschouwen beide conflicten als gebeurtenissen die langdurige gevolgen hadden voor de positie van artsen binnen publiek gefinancierde gezondheidszorg.
Literatuur
Zie ook Artsenstaking Artsenstaking in Saskatchewan
Externe links Stakende Belgische Artsen Door Regering Gemobiliseerd. Stakingsleiders zetten aktie voort. De Leidse Courant. 13 april 1964. Belgien/Ärztestreik: Am Galgen. - Der Spiegel 16/1964, 15 april 1964. Belgium's Striking Doctors - The New York Times. 7 april, 1964. Doctors in Belgium Strike in a Protest Over Health Plan - The New York Times. 1 april, 1964.
Categorie:Staking in België Categorie:Geschiedenis van de geneeskunde