Faciens misericordiam is de gebruikelijke benaming, naar de beginwoorden, van een pauselijke bul van Clemens V betreffende het proces tegen de Orde van de Tempeliers. Het document draagt de datum 12 augustus 1308 en werd uitgevaardigd te Poitiers. Het maakte deel uit van een reeks maatregelen waarmee Clemens het canonieke onderzoek naar de Tempeliers organiseerde nadat koning Filips IV van Frankrijk in oktober 1307 de leden van de orde in Frankrijk had laten arresteren.

Faciens misericordiam legde een belangrijk onderscheid vast tussen enerzijds het onderzoek en de berechting van individuele Tempeliers en anderzijds het onderzoek naar de Tempelorde als instelling. Voor het tweede onderzoek werden pauselijke commissies ingesteld. Bij de bul behoorde tevens een uitvoerige lijst van 127 aanklachtartikelen waarop de verhoren konden worden gebaseerd.

De uiteindelijke beslissing over het voortbestaan van de orde werd niet door de plaatselijke rechtbanken genomen. Een afzonderlijke bul van Clemens V, Regnans in coelis, eveneens gedateerd op 12 augustus 1308, riep een algemeen concilie bijeen dat onder meer de zaak van de Tempeliers moest behandelen. Het geplande concilie werd uitgesteld en kwam in 1311 bijeen als het Concilie van Vienne.

Achtergrond Op 13 oktober 1307 werden de Tempeliers in Frankrijk op bevel van Filips IV gearresteerd. Hun bezittingen werden in beslag genomen en leden van de orde werden onder meer beschuldigd van het verloochenen van Christus, het onteren van het kruis, ongeoorloofde seksuele handelingen en de verering van afgodsbeelden. Bij de eerste Franse verhoren werden bekentenissen afgelegd; bij verschillende gevangenen werd daarbij marteling toegepast.

Omdat de Tempelorde rechtstreeks onder het pauselijk gezag stond, beschouwde Clemens V het eigenmachtige optreden van de Franse kroon aanvankelijk als een aantasting van zijn jurisdictie. Op 22 november 1307 vaardigde hij echter de bul Pastoralis praeminentiae uit, waarin christelijke vorsten werden opgedragen Tempeliers in hun gebieden te arresteren en hun goederen onder kerkelijk gezag veilig te stellen.

Nadat grootmeester Jacques de Molay en andere leiders tegenover pauselijke vertegenwoordigers eerdere verklaringen hadden herroepen, schortte Clemens begin 1308 de werkzaamheden van de inquisitie in de zaak tijdelijk op. Tijdens onderhandelingen tussen de paus en Filips IV in Poitiers in het voorjaar en de zomer van 1308 werd vervolgens een nieuwe procedure uitgewerkt.

Op 5 juli 1308 maakte Clemens met Subit assidue de hervatting van kerkelijke onderzoeken tegen individuele Tempeliers mogelijk. In juli werden nadere regelingen getroffen voor de samenstelling van de kerkelijke onderzoeksorganen en het beheer van de goederen van de orde. De regeling werd in augustus verder uitgewerkt in onder meer Faciens misericordiam.

Inhoud

Onderzoek naar individuele Tempeliers De procedure maakte onderscheid tussen personen en de orde als corporatief lichaam. Aartsbisschoppen en bisschoppen moesten, samen met andere aangewezen geestelijken en met deelname van de pauselijke inquisitie, onderzoek doen naar individuele leden van de orde.

Na dergelijke onderzoeken konden provinciale kerkvergaderingen zich uitspreken over de individuele gevallen. De leiding van de Tempelorde, waaronder Jacques de Molay, werd daarentegen voor pauselijke beoordeling gereserveerd.

Het systeem werd niet overal op precies hetzelfde moment ingevoerd. De pauselijke instructies moesten naar de verschillende kerkprovincies worden gezonden en plaatselijk worden uitgevoerd. Daardoor begonnen de daadwerkelijke onderzoeken in verschillende delen van Europa op uiteenlopende tijdstippen.

Onderzoek naar de orde Naast de procedures tegen afzonderlijke personen stelde Faciens misericordiam een onderzoek in naar de Tempelorde als geheel. In Frankrijk werd daarvoor een pauselijke commissie van acht kerkelijke functionarissen aangewezen. Zij kreeg de opdracht getuigen op te roepen, bewijs te verzamelen en de waarheid over de tegen de orde geformuleerde beschuldigingen te onderzoeken.

Tot de commissie behoorden onder anderen Gilles Aycelin de Montaigu, aartsbisschop van Narbonne, Guillaume Durand, bisschop van Mende, de bisschoppen van Bayeux en Limoges en verschillende pauselijke of kerkelijke functionarissen. De commissie die de orde in Frankrijk onderzocht, begon haar zittingen in Parijs in november 1309.

Voor andere gebieden werden overeenkomstige kerkelijke onderzoeken georganiseerd. De praktische uitvoering verschilde volgens de politieke en kerkelijke omstandigheden per gebied.

Aanklachtartikelen Aan de onderzoeksinstructies was een lijst van 127 artikelen verbonden die de tegen de Tempeliers geuite beschuldigingen systematiseerde. Tot de onderwerpen behoorden beschuldigingen dat kandidaten bij hun opname Christus moesten verloochenen of op het kruis moesten spuwen, dat binnen de orde verboden kussen voorkwamen, dat leden tot seksuele handelingen werden aangespoord, dat geheimzinnige hoofden of andere voorwerpen werden vereerd en dat oversten zich bevoegdheden tot absolutie zouden hebben toegeëigend die volgens het kerkelijk recht aan priesters waren voorbehouden.

Deze artikelen moeten worden onderscheiden van bewezen feiten. Het ging om de formele beschuldigingen waarop het onderzoek betrekking had. De betrouwbaarheid van de bekentenissen en getuigenissen werd reeds tijdens het proces problematisch door herroepingen, tegenstrijdige verklaringen en het gebruik of de dreiging van marteling.

De lijst vormde daarna een belangrijk referentiekader voor onderzoeken in verschillende Europese gebieden.

Datering De in de pauselijke registers overgeleverde tekst draagt de datering Datum Pictavis II idus augusti, pontificatus nostri anno tertio, oftewel Poitiers, 12 augustus 1308, in het derde jaar van het pontificaat van Clemens V.

De datering van de reeks pauselijke documenten uit augustus 1308 levert echter een diplomatisch probleem op. Barber merkt op dat Faciens misericordiam in een overgeleverde vorm gebeurtenissen bij Chinon beschrijft die pas op 20 augustus waren voltooid. Volgens hem is het daarom mogelijk dat ten minste een deel van de documenten die in de pauselijke kanselarij op 12 augustus werd gedateerd in werkelijkheid enkele dagen later definitief werd uitgevaardigd of geregistreerd.

Een eenvoudige voorstelling waarbij de bul met zekerheid op 8 augustus werd geschreven en op 12 augustus alleen nog werd afgekondigd, kan op basis van deze bronproblematiek daarom niet zonder voorbehoud worden aangenomen.

Uitvoering van de procedures De pauselijke commissie die in Frankrijk de orde als geheel onderzocht, begon in november 1309 te Parijs met haar werkzaamheden. Aanvankelijk leken de eerdere bekentenissen het onderzoek te domineren. In 1310 ontstond echter een georganiseerde verdediging van de orde. Onder leiding van onder anderen de Tempelier-priesters Pierre de Bologne en Renaud de Provins verklaarden honderden leden zich bereid de orde te verdedigen en werden eerdere verklaringen aangevochten.

Tegelijkertijd verliepen de procedures tegen individuele Tempeliers via de bisschoppelijke en provinciale structuren. Hierdoor konden de twee soorten procedure verschillende uitkomsten en een verschillend tempo hebben. In Frankrijk werd dit onderscheid bijzonder belangrijk toen in mei 1310 een provinciaal concilie te Sens tientallen Tempeliers als teruggevallen ketters liet veroordelen; vierenvijftig van hen werden buiten Parijs verbrand. Deze gebeurtenis verzwakte de georganiseerde verdediging voor de pauselijke commissie sterk.

Buiten Frankrijk verliepen de onderzoeken zeer uiteenlopend. In verschillende gebieden leverden de verhoren veel minder belastend materiaal op dan in Frankrijk. Politieke omstandigheden, de positie van de plaatselijke bisschoppen en de beschikbaarheid en werkwijze van inquisitoren speelden daarbij een rol.

Concilie van Vienne en opheffing van de orde Op dezelfde formele datum als Faciens misericordiam vaardigde Clemens V Regnans in coelis uit. Daarmee werd een algemeen concilie voor 1 oktober 1310 te Vienne voorzien. Het concilie moest niet alleen de Tempelierskwestie behandelen, maar ook een eventuele nieuwe kruistocht en hervormingen binnen de Kerk.

Omdat de onderzoeken niet tijdig waren voltooid, werd de bijeenkomst uitgesteld. Het Concilie van Vienne begon uiteindelijk in oktober 1311.

Op 22 maart 1312 bepaalde Clemens V met de bul Vox in excelso dat de Tempelorde werd opgeheven. Dit gebeurde niet in de vorm van een definitieve rechterlijke veroordeling van de orde wegens bewezen ketterij, maar bij pauselijke voorziening, waarbij onder meer het ontstane schandaal en de toestand rond de orde als redenen werden aangevoerd. Met Ad providam van 2 mei 1312 werd vervolgens het grootste deel van de voormalige bezittingen van de Tempeliers bestemd voor de Orde van Sint-Jan.

Faciens misericordiam was daarmee een centrale procedurele stap tussen de aanvankelijke arrestaties van 1307 en de behandeling van de Tempelierskwestie op het Concilie van Vienne. De bul zelf hief de orde niet op, maar organiseerde de onderzoeken waarvan de dossiers mede de context vormden waarin in 1311–1312 over het voortbestaan van de orde werd beslist.

Zie ook

Orde van de Tempeliers Jacques de Molay Paus Clemens V Filips IV van Frankrijk Concilie van Vienne Vox in excelso

Literatuur

Primaire literatuur

Regestum Clementis papae V, Vaticaanse registers, onder meer de op 12 augustus 1308 te Poitiers gedateerde versies van Faciens misericordiam. Bibliothèque nationale de France, Département des manuscrits, Latin 3376, afschrift van Faciens misericordiam en bijbehorende processtukken.

Secundaire literatuur

Categorie:Pauselijke bul Categorie:Document uit de 14e eeuw Categorie:Orde der Tempeliers Categorie:1300-1309