Considerantes dudum is een pauselijke bul van paus Clemens V, uitgevaardigd op 6 mei 1312 tijdens de slotfase van het Concilie van Vienne. De bul bepaalde hoe de kerkelijke autoriteiten moesten handelen ten aanzien van de individuele leden van de inmiddels opgeheven Orde van de Tempeliers.
De maatregel volgde kort op Vox in excelso van 22 maart 1312, waarmee Clemens V de Tempeliersorde niet bij een definitief rechterlijk vonnis wegens ketterij veroordeelde, maar haar bij apostolische voorziening ophief. Op 2 mei volgde Ad providam, waarmee een groot deel van de goederen van de voormalige orde aan de Hospitaalridders werd toegewezen. Considerantes dudum regelde vervolgens in hoofdzaak de behandeling van de personen die tot de voormalige Tempeliersorde hadden behoord.
Achtergrond De Tempeliers waren sinds oktober 1307 in Frankrijk vervolgd op beschuldiging van onder meer ketterij. De Franse koning Filips IV had de leden van de orde in zijn koninkrijk laten arresteren. Clemens V bracht de procedure vervolgens onder pauselijk gezag en liet enerzijds onderzoek verrichten naar de orde als instelling en anderzijds naar de schuld of onschuld van individuele Tempeliers.
Tijdens het Concilie van Vienne kwam de vraag aan de orde of de orde als geheel kon worden veroordeeld. Clemens besloot uiteindelijk tot opheffing. In Vox in excelso verklaarde hij dat dit niet gebeurde door middel van een definitief vonnis, maar bij wijze van pauselijke voorziening of regeling. De personen en bezittingen van de orde bleven daarbij voorbehouden aan de beschikking van de Heilige Stoel.
Vier dagen nadat Ad providam over de goederen van de orde was uitgevaardigd, vaardigde Clemens tijdens de laatste openbare zitting van het concilie op 6 mei 1312 Considerantes dudum uit. Brown en Forey beschrijven de bul als een regeling met specifieke aanwijzingen voor de provinciale concilies die over individuele voormalige Tempeliers moesten oordelen.
Inhoud Considerantes dudum herhaalde eerst de achtergrond van de procedures tegen de orde en verwees naar de verdenkingen en bekentenissen die tijdens het onderzoek waren verkregen. Vervolgens bepaalde de bul hoe met verschillende groepen voormalige Tempeliers moest worden omgegaan.
Bevoegdheid van de provinciale concilies De behandeling van de meeste voormalige Tempeliers werd overgelaten aan de provinciale concilies. Een beperkt aantal hoge functionarissen werd hiervan uitgezonderd en rechtstreeks aan het oordeel van de paus of de Apostolische Stoel voorbehouden.
Tot deze voorbehouden gevallen behoorden onder anderen de grootmeester Jacques de Molay, de visitator van Frankrijk en verschillende hoge commandeurs. Ook Olivier de Penne werd uitdrukkelijk aan de beschikking van de Apostolische Stoel voorbehouden.
Vrijgesproken Tempeliers Voormalige Tempeliers die reeds overeenkomstig het recht waren vrijgesproken, of later zouden worden vrijgesproken, moesten uit de goederen van de voormalige orde voldoende middelen ontvangen om overeenkomstig hun maatschappelijke en religieuze staat te kunnen leven. Mollat beschrijft dit als een passende levenslange toelage, waarvan de hoogte met de positie van de betrokkene rekening moest houden.
De voormalige leden konden worden ondergebracht in huizen die vroeger aan de Tempeliers hadden behoord of in kloosters van andere orden. Daarbij moest worden voorkomen dat grote aantallen voormalige Tempeliers gezamenlijk in één huis werden geconcentreerd.
Tempeliers die hadden bekend Voor degenen die de aan hen verweten dwalingen hadden bekend, schreef de bul niet één uniforme straf voor. De provinciale concilies moesten rekening houden met de persoonlijke omstandigheden en met de wijze waarop de bekentenis tot stand was gekomen, en daarbij naar eigen oordeel rechtvaardigheid met barmhartigheid matigen.
Deze formulering betekende dat de individuele behandeling kon verschillen en dat de bul geen algemeen doodvonnis over bekennende Tempeliers uitsprak.
Onboetvaardigen en relapsen Voor voormalige Tempeliers die als onboetvaardig of als relaps werden beschouwd, bepaalde de bul dat overeenkomstig het kerkelijke recht en de canonieke censuren moest worden gehandeld.
De bul zelf formuleerde daarmee geen algemene bepaling dat iedere relaps rechtstreeks ter dood moest worden gebracht. Binnen het middeleeuwse ketterijrecht kon een definitief als relaps of volhardend ketter veroordeelde persoon echter aan de wereldlijke macht worden overgelaten, waarna een wereldlijke straf kon volgen. De concrete rechtsgang moet daarom worden onderscheiden van de tekst van Considerantes dudum zelf.
Ontkenners Ook Tempeliers die van de vermeende misdrijven werden verdacht maar ontkenden in dwaling te zijn vervallen, werden niet zonder meer als veroordeeld beschouwd. De provinciale concilies moesten in hun geval handelen overeenkomstig wat volgens het recht en de billijkheid van het canonieke recht gerechtvaardigd was.
Daarmee is een voorstelling waarin iedere Tempelier die weigerde te bekennen automatisch ter dood werd gebracht, niet in overeenstemming met de tekst van de bul.
Niet onderzochte en voortvluchtige Tempeliers De bul bevatte daarnaast bepalingen voor voormalige Tempeliers die nog niet waren onderzocht en zich niet in handen van de Kerk bevonden. Zij kregen een termijn van een jaar om persoonlijk voor hun kerkelijke overste te verschijnen en zich aan een onderzoek te onderwerpen.
Wie niet verscheen, liep volgens de bul een kerkelijke straf op. Wanneer iemand gedurende langere tijd hardnekkig in die ongehoorzaamheid volhardde, kon dit in een zaak betreffende het geloof verdere canonieke gevolgen hebben.
Plaats binnen de opheffing van de Tempeliers Considerantes dudum vormde samen met enkele andere pauselijke besluiten uit 1312 een juridisch geheel waarmee de positie van de Tempeliers na het Concilie van Vienne werd afgewikkeld.
Op 22 maart 1312 vaardigde Clemens V Vox in excelso uit, waarmee de orde werd opgeheven. Brown en Forey benadrukken dat deze opheffing plaatsvond bij pauselijke voorziening en niet door een definitief rechterlijk vonnis tegen de orde als geheel.
Met Ad providam van 2 mei 1312 werden de goederen van de voormalige orde in beginsel overgedragen aan de Hospitaalridders, met uitzonderingen voor bepaalde gebieden op het Iberisch Schiereiland.
Considerantes dudum van 6 mei regelde vervolgens de bevoegdheid over en behandeling van individuele voormalige Tempeliers. Brown en Forey beschouwen Vox in excelso als de juridische grondslag waarop zowel Ad providam als Considerantes dudum voortbouwden.
Uitvoering en gevolgen De praktische uitvoering van Considerantes dudum verschilde per kerkprovincie. Uit onderzoek van Guillaume Mollat naar documenten uit de pauselijke registers blijkt dat na de opheffing van de orde aandacht bleef bestaan voor het levensonderhoud en de verblijfplaats van voormalige Tempeliers. Paus Johannes XXII, de opvolger van Clemens V, drong later aan op uitvoering van de bepalingen over de pensioenen en behandeling van voormalige leden.
Dat de bul voor brede bekendmaking was bedoeld, blijkt tevens uit overgeleverde kerkelijke registers buiten Frankrijk. Zo bevat het register van de aartsbisschop van York een opdracht van 1312 tot publicatie van Considerantes dudum.
De hoogste leiders De berechting van de belangrijkste leiders van de orde werd niet aan de provinciale concilies overgelaten. Hun zaken waren aan de paus voorbehouden.
De uiteindelijke berechting van onder anderen Jacques de Molay en Geoffroy de Charnay vond pas in 1314 plaats. Hun latere veroordeling en executie moeten daarom niet worden voorgesteld als een rechtstreeks in Considerantes dudum uitgesproken doodvonnis. De bul bepaalde in 1312 in de eerste plaats welke rechterlijke instantie over de verschillende voormalige Tempeliers bevoegd was en volgens welke algemene beginselen hun zaken moesten worden behandeld.
Historische betekenis Binnen de afwikkeling van het Tempeliersproces is Considerantes dudum van belang omdat zij de opheffing van de orde als instelling scheidde van de rechtspositie van de individuele leden. De afschaffing van de orde betekende niet dat ieder voormalig lid automatisch persoonlijk schuldig werd verklaard. De bul voorzag juist in afzonderlijke behandeling naar gelang de juridische positie van de betrokkene.
De tekst vormt daarmee tevens een primaire bron voor de studie van de wijze waarop het pauselijke bestuur na het Concilie van Vienne probeerde de juridische en materiële gevolgen van de opheffing van de Tempeliersorde te regelen.
Literatuur
Zie ook
Orde van de Tempeliers Concilie van Vienne Perkament van Chinon
Categorie:Pauselijke bul Categorie:Orde der Tempeliers Categorie:1310-1319