De grote zeepkorst (Placopsis gelida) is een korstmos uit de familie Trapeliaceae. Het is een korstvormige, op steen groeiende soort die vooral voorkomt op silicaatrijke gesteenten. De soort werd in 1767 door Carl Linnaeus oorspronkelijk beschreven als Lichen gelidus. William Lauder Lindsay plaatste haar in 1866 in het geslacht Placopsis.
Kenmerken Het thallus ligt dicht tegen het substraat aan en vormt meestal min of meer ronde rozetten van ongeveer 1–5 cm in diameter. Het is dof grijs, rozeachtig tot lichtbruin. Het centrale gedeelte is vaak gebarsten tot hoekig verdeeld, terwijl de rand bestaat uit diep ingesneden, min of meer straalsgewijs gerangschikte lobben van ongeveer 0,5–1,5 mm breed. De bovenzijde is gewoonlijk mat, met soms enige glans aan de uiteinden van de lobben.
Kenmerkend zijn de opvallende cephalodia. Deze zijn vleeskleurig tot donker roodbruin, duidelijk gelobd en ongeveer 0,5–4 mm breed. Daarnaast vormt de soort groenige tot grijsgroene sorediën in langgerekte soralen. Deze soralen zijn vaak enigszins uitgehold en komen vooral naar het midden van het thallus toe talrijk voor.
De apotheciën zijn vrij zeldzaam en meten ongeveer 0,8–1,6 mm in diameter. Ze hebben een dikke thallusrand en een vlakke, ruwe schijf die donkerroze, geelbruin of roodbruin kan zijn en soms wit berijpt is. De kleurloze, eencellige ascosporen zijn ellipsoïde en meten ongeveer 13–18 × 6–8,5 µm. Pycnidiën zijn zeldzaam; de daarin gevormde draadvormige conidiën meten ongeveer 15–25 × 0,5 µm.
Bij chemische kleurreacties reageert het thallus K−, C+ rood, KC+ rood en Pd−. De belangrijkste secundaire inhoudsstof is gyrophorzuur.
Ecologie De grote zeepkorst is een korstmos dat voornamelijk op zure, silicaatrijke rotsen, stenen en keien groeit. In Nederland wordt de soort op steen aangetroffen.
Gelijkende soorten De grote zeepkorst kan worden verward met de kleine zeepkorst (Placopsis lambii). Bij P. gelida is het thallus grotendeels mat en zijn de cephalodia doorgaans duidelijk gelobd. De soralen zijn vaak uitgehold en groenachtig of grijzig. Bij P. lambii is het thallus doorgaans glanzender, zijn de soralen vaak donkerder en zijn de cephalodia meestal minder duidelijk gelobd. Daarnaast bevat P. lambii gewoonlijk 5-O-methylhiasciczuur, dat bij P. gelida ontbreekt.
Historische waarnemingen van beide soorten zijn niet altijd betrouwbaar van elkaar gescheiden. Zo bleken veel Britse meldingen die vroeger als P. gelida werden opgegeven betrekking te hebben op P. lambii.
Verspreiding Placopsis gelida heeft een zeer groot areaal en is bekend van zowel het noordelijk als het zuidelijk halfrond. De soort is onder meer gemeld uit Scandinavië, IJsland, Groenland, andere delen van Europa, Noord-Amerika, Zuid-Amerika, Australië en Nieuw-Zeeland. Het verspreidingspatroon wordt als bipolair omschreven.
In Nederland is de grote zeepkorst een 'zeer zeldzame' soort. Op de Nederlandse Rode Lijst van korstmossen heeft hij de status 'Gevoelig'. De Verspreidingsatlas omschrijft het areaal in Europa als breed gematigd en het voorkomen op het noordelijk halfrond als circumpolair.
Taxonomie Linnaeus beschreef de soort in 1767 als Lichen gelidus. In de loop van de tijd is de soort onder verschillende geslachtsnamen geplaatst, waaronder Parmelia, Lecanora, Placodium, Squamaria, Patellaria en Psoroma. De geaccepteerde naam is Placopsis gelida (L.) Linds.
Categorie:Korstmossoort Categorie:Trapeliaceae