Sofie Johannesdotter (Ärtemark, 24 augustus 1839 - Fredrikshald, 18 februari 1876) was een Zweeds-Noorse gifmengster die tussen 1869 en 1874 minstens drie personen vermoordde met arsenicum. Zij geldt als de laatste vrouw die in Noorwegen werd geëxecuteerd en als de voorlaatste terechtgestelde in het land in het algemeen.
Achtergrond Johannesdotter werd geboren in het Zweedse dorp Ärtemark als dochter van arme keuterboeren. Het gezin telde zes kinderen, van wie er twee op jonge leeftijd overleden. Haar jeugd werd gekenmerkt door armoede en een gebrekkige opleiding. Pas op vijftienjarige leeftijd leerde zij lezen ter voorbereiding op haar confirmatie in 1854; schrijven beheerste zij slechts beperkt.
In 1867 emigreerde Johannesdotter naar Noorwegen, waar zij zich vestigde in Fredrikshald (thans Halden). Na enige tijd in een katoenspinnerij te hebben gewerkt, trad zij in 1868 in dienst als huishoudster bij de koopman Niels Anker Stang. Binnen het huishouden stond zij bekend om haar twistzieke karakter; meerdere dienstboden verlieten hun betrekking wegens conflicten met haar. Daarnaast maakte zij zich schuldig aan herhaalde diefstallen van haar werkgever.
Vergiftigingen Op 16 oktober 1869 overleed de dienstmeid Maren Johannesdatter plotseling. Aanvankelijk werd cholera als doodsoorzaak vermoed, maar later bleek dat zij was vergiftigd met arsenicum, vermengd in een kop thee. Het gif had Johannesdotter via haar zuster in Zweden verkregen. Het motief lijkt een ruzie te zijn geweest; het slachtoffer had kort tevoren haar dienst opgezegd om te trouwen.
Op 12 oktober 1872 werd Stangs echtgenote, Catharina Elisabeth Foyn Wiel, ziek na inname van met arsenicum vergiftigd voedsel. Zij overleed vier dagen later. De verhouding tussen beide vrouwen was gespannen: mevrouw Stang had herhaaldelijk geprobeerd Johannesdotter te ontslaan, maar haar echtgenoot had dit verhinderd.
Toen Niels Anker Stang op 10 oktober 1874 ontdekte dat Johannesdotter hem bestal en haar wilde ontslaan, diende zij hem arsenicum toe in gerstensoep. Hij overleed nog dezelfde avond. Op 18 januari 1875 probeerde zij bovendien de zestienjarige Mathilde Wiel, een familielid van mevrouw Stang, te vergiftigen terwijl zij haar tijdens een ziekte verzorgde. Het meisje overleefde, maar hield blijvende gezondheidsklachten over aan de vergiftiging.
Op 10 februari 1875 stichtte Johannesdotter brand in het huis van de familie Stang, nadat zij eerst haar eigen bezittingen in veiligheid had gebracht. Het gebouw brandde volledig af, maar er vielen geen slachtoffers.
Arrestatie en executie Geruchten in Fredrikshald leidden tot heropening van het onderzoek. Op 23 maart 1875 werden de lichamen van de heer en mevrouw Stang opgegraven en onderzocht in het Ebenezer Ziekenhuis. Er werden aanzienlijke hoeveelheden arsenicum aangetroffen. Geconfronteerd met de bevindingen legde Johannesdotter bekentenissen af voor de drie moorden, de vergiftigingspoging, brandstichting en diefstallen. Verdachtmakingen betreffende andere sterfgevallen konden niet worden bewezen.
Op 19 juli 1875 werd Johannesdotter ter dood veroordeeld op grond van het Noorse strafwetboek van 1842. Het vonnis werd in november bevestigd door het Hooggerechtshof en bekrachtigd door koning Oscar II. Tijdens haar gevangenschap ontwikkelde Johannesdotter een uitgesproken religiositeit.
Op 18 februari 1876 werd Johannesdotter in Fredrikshald onthoofd. Kort voor haar dood las zij de Zweedse hymne Källan en verklaarde: "Nu ga ik naar huis, naar Jezus". Haar executie markeerde het einde van een uitzonderlijke en beruchte strafzaak in de Noorse rechtsgeschiedenis.
Categorie:Noors crimineel Categorie:Zweeds crimineel