Moeder Imelda, met wereldlijke naam Maria Cornelia Leonia Steemans (Mechelen, 20 december 1880 – Duffel, 12 juni 1957) was een Belgische kloosterzuster en Algemeen Overste van het Convent van Betlehem te Duffel. Ze leende haar naam aan het Imeldaziekenhuis in Bonheiden.DESMARICAUX, B. (2020). Inventaris van het Archief van de Zusters van het Convent van Betlehem. KADOC, 93.
Voorgeschiedenis Imelda Steemans werd geboren als Leonia Steemans in Mechelen als jongste dochter van Arsenaalarbeider Petrus Steemans (°1851) en Ludovica Van Doren (°1848). Ze verloor op jonge leeftijd haar moeder en haar oudste zus aan ziektes, en werd zelf ook geplaagd door een zwakke gezondheid. Leonia liep school in Mechelen bij de Zusters van Liefde en werd omschreven als een goede leerlinge, maar moest vaak thuis blijven omdat ze “niet zo gezond was zonder echt ziek te zijn”. Op haar zeventiende trad ze in bij de Zusters Norbertienen van Duffel en nam als kloosternaam zuster Imelda. Op 24 april 1900 volgde de plechtige professie. Ze ging verder studeren en behaalde het diploma van onderwijzeres aan de normaalschool van de Ursulinen van O.-L.-Vrouw-Waver. Vervolgens werd ze ook een gediplomeerd verpleegster en psychiatrisch verpleegkundige.
Novicenmeesteres Op haar tweeëndertigste – drie jaar jonger dan de later volgens de constituties vereiste leeftijd van vijfendertig jaar - werd zuster Imelda tot novicenmeesteres aangesteld op 20 oktober 1912. In haar notitieboekje schreef ze neer hoe zij die functie wilde invullen:“Eene goede Noviciemeesteres moet veel hooren, veel zien en lang kunnen zwijgen. […] Zij moet zijn gelijk eene ijzeren hand waar eene dikke mollige handschoen rond is. De slag van zulke hand is wel zwaar; doch hij is gematigd door de zachtheid der handschoen”Tijdens de Eerste Wereldoorlog moest de volledige zustergemeenschap van Duffel samen met een zeshonderdtal patiënten vluchten naar Merksplas-Kolonie en later ook Hoogstraten. Daar bleef zuster Imelda zich ontfermen over de novicen, maar kon zich ook verder ontplooien als verpleegkundige. Tijdens de ballingschap in Hoogstraten werd op initiatief van directeur Aloïs Puttemans beslist om een nieuw instituut – het Bethaniënhuis – te stichten in Sint-Antonius-Brecht. Door haar grote werklust en toewijding werd zuster Imelda op 10 januari 1924 aangesteld als plaatselijk overste van het Bethaniënhuis en de communiteit van Sint-Antonius-Brecht. Haar lokale bestuur werd vooral gekenmerkt door haar streven om de patiënten zo menselijk als mogelijk te behandelen, maar ook om de banden met het moederhuis sterk te onderhouden, in een poging eensgezindheid bij de zusters teweeg te brengen.
Algemeen Overste In 1928, na het overlijden van Moeder Anna, werd Moeder Imelda tot Algemeen Overste van de congregatie verkozen door haar medezusters. Ook nu bleef ze doorzetten in haar streven om alle zusters van de congregatie een gevoel van lotsverbondenheid te geven, geen simpele opdracht in een sterk uitbreidende congregatie. Zelfs al had ze eerst haar diploma behaald in het onderwijs, voelde ze toch steeds sterker de drang om zich te focussen op de ziekenzorg.
In 1933 kocht de congregatie een tiental hectaren grond in Bonheiden om een nieuw sanatorium te openen met plaats voor 125 patiënten. Het Imeldasanatorium (later Imeldaziekenhuis) werd vernoemd naar Moeder Imelda, die samen met directeur Puttemans de drijvende kracht was achter het initiatief. Naar het einde van het Interbellum toe wilde Imelda samen met Aloïs Puttemans een vernieuwing teweeg brengen in het psychiatrielandschap. Zo voerden ze naar buitenlands voorbeeld de gesystematiseerde werktherapie in. “Zusters, leert de zieken werken; werkt met de zieken mee; ze kunnen toch allemaal iets!”, liet ze zich meermaals ontvallen. Steemans' menselijke aanpak voor de patiënten toonde zich opnieuw wanneer de gestichtskledij werd afgeschaft, de wandelingen werden ingevoerd en een kapsalon werd ingericht. Een medezuster liet optekenen: "Van Kanunnik Triest wordt gezegd: hij maakte de krankzinnigen tot zieken. Van Eerwaarde Moeder Imelda kunnen wij zeggen: zij maakte die zieken tot medemensen."Moeder Imelda stond bij haar medezusters vooral bekend als een lieve, zorgzame, vrolijke, empathische en ondernemende vrouw. Ze was nauw betrokken bij de organisatie van de congregatie, maar liet zich ook sterk leiden door de mensen die boven haar stonden in de kerkelijke hiërarchie.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog kreeg de congregatie het opnieuw zwaar te verduren. Na de inval van de Duitsers werd het Bethaniënhuis opgeëist en moesten de lokale zustergemeenschap en hun psychiatrische patiënten noodgedwongen verhuizen naar het moederhuis in Duffel. Daar zaten ze met meer dan drieduizend mensen opeen gepakt, terwijl er onvoldoende voedsel voorhanden was om iedereen te eten te geven. Dat leidde tot honger, ziekten en een grote oversterfte. Ook Moeder Imelda, die van kindsbeen zwak van gezondheid was, werd ziek tijdens de oorlogsjaren. Toch bleef ze haar congregatie een hart onder de riem steken en sloot ze haar brieven aan de medezusters steevast af met "een kruisje van verre". Vanaf haar ziekte liet ze de leiding over het klooster meer en meer over aan directeur Puttemans. Ze overleed uiteindelijk op 12 juni 1957 in Duffel.
Het persoonsarchief van Moeder Imelda bevindt zich als onderdeel van het archief Convent van Betlehem sinds 2020 in KADOC.
Categorie:Belgisch verpleegkundige Categorie:Vrouwengeschiedenis