Chronische nierschade of chronische nierziekte is een langdurige afwijking van de structuur of functie van de nier die gevolgen kan hebben voor de gezondheid. De aandoening komt overeen met het Engelse begrip chronic kidney disease, vaak afgekort als CKD. Volgens de internationaal gebruikte KDIGO-definitie is er sprake van chronische nierschade wanneer afwijkingen in nierstructuur of nierfunctie langer dan drie maanden aanwezig zijn.

Chronische nierschade kan jarenlang weinig of geen klachten geven. De aandoening wordt vaak vastgesteld door bloedonderzoek, urineonderzoek of beeldvorming. Belangrijke kenmerken zijn een verlaagde geschatte glomerulaire filtratiesnelheid, afgekort eGFR, en/of tekenen van nierschade zoals albumineverlies in de urine.

Begrip Chronische nierschade betekent niet hetzelfde als nierfalen. Bij nierfalen werken de nieren niet of nauwelijks meer. Chronische nierschade omvat ook vroegere stadia waarin de nierfunctie nog relatief goed kan zijn, maar waarin wel al tekenen van blijvende nierschade bestaan.

De term wordt gebruikt voor een brede groep aandoeningen. De oorzaak kan liggen in de nierfiltertjes, de niertubuli, de bloedvaten, het nierinterstitium of de urinewegen. Ook systemische aandoeningen zoals diabetes mellitus en hoge bloeddruk kunnen tot chronische nierschade leiden.

Definitie Er wordt meestal gesproken van chronische nierschade wanneer minstens een van de volgende afwijkingen langer dan drie maanden aanwezig is: een eGFR lager dan 60 ml/min/1,73 m²; verhoogde albumine-uitscheiding in de urine; afwijkingen in het urinesediment; structurele afwijkingen op beeldvorming; afwijkingen door nierbiopsie; een voorgeschiedenis van niertransplantatie.

Een eenmalig afwijkende nierfunctiewaarde is dus niet automatisch chronische nierschade. De afwijking moet aanhoudend zijn of passen binnen een duidelijk chronisch ziektebeeld.

Indeling Chronische nierschade wordt internationaal ingedeeld volgens oorzaak, GFR-categorie en albuminuriecategorie. Dit wordt ook wel de CGA-classificatie genoemd: cause, GFR en albuminuria.

GFR-categorieën De GFR-categorie beschrijft de mate waarin de nierfilterfunctie verminderd is: G1: eGFR ≥ 90 ml/min/1,73 m²; G2: eGFR 60–89 ml/min/1,73 m²; G3a: eGFR 45–59 ml/min/1,73 m²; G3b: eGFR 30–44 ml/min/1,73 m²; G4: eGFR 15–29 ml/min/1,73 m²; G5: eGFR < 15 ml/min/1,73 m².

Bij G1 en G2 is alleen sprake van chronische nierschade wanneer er ook andere tekenen van nierschade aanwezig zijn, zoals albuminurie of structurele afwijkingen.

Albuminuriecategorieën Albuminurie wordt meestal gemeten met de albumine-creatinineratio in urine, afgekort ACR: A1: normaal tot licht verhoogd, ACR < 3 mg/mmol; A2: matig verhoogd, ACR 3–30 mg/mmol; A3: ernstig verhoogd, ACR > 30 mg/mmol.

De combinatie van eGFR en albuminurie bepaalt sterk het risico op progressie naar nierfalen en op cardiovasculaire complicaties.

Oorzaken Chronische nierschade kan veel verschillende oorzaken hebben. Veelvoorkomende oorzaken zijn: diabetes mellitus; hypertensie; chronische glomerulonefritis; polycysteuze nierziekte; chronische pyelonefritis; refluxnefropathie; aangeboren afwijkingen van nieren of urinewegen; obstructie van de urinewegen; auto-immuunziekten zoals systemische lupus erythematodes; erfelijke tubulopathieën, zoals de ziekte van Dent; langdurig gebruik van nierbeschadigende geneesmiddelen of toxische stoffen.

Bij veel patiënten spelen meerdere factoren tegelijk een rol. Diabetes en hypertensie zijn wereldwijd belangrijke oorzaken van chronische nierschade.

Symptomen In vroege stadia veroorzaakt chronische nierschade vaak geen duidelijke klachten. Naarmate de nierfunctie achteruitgaat, kunnen klachten ontstaan door ophoping van afvalstoffen, verstoring van de vochtbalans en ontregeling van elektrolyten.

Mogelijke symptomen zijn: vermoeidheid; jeuk; misselijkheid; verminderde eetlust; vochtophoping in benen of rond de ogen; kortademigheid door overvulling; hoge bloeddruk; spierkrampen; concentratieproblemen; verminderde urineproductie in gevorderde stadia.

Omdat deze klachten weinig specifiek zijn, wordt chronische nierschade vaak ontdekt via laboratoriumonderzoek.

Diagnose De diagnose wordt meestal gesteld met bloed- en urineonderzoek. In het bloed wordt de creatinineconcentratie gemeten, waarmee de eGFR wordt geschat. In de urine wordt vaak gekeken naar albumine, eiwit, bloedcellen en andere afwijkingen.

Belangrijke onderzoeken zijn: bepaling van serumcreatinine en eGFR; urineonderzoek met albumine-creatinineratio; urinesediment; bloeddrukmeting; bepaling van elektrolyten, bicarbonaat, calcium, fosfaat en hemoglobine; echografie van de nieren; nierbiopsie in geselecteerde gevallen.

Herhaling van onderzoek is belangrijk om het chronische karakter te bevestigen en tijdelijke oorzaken van nierfunctievermindering uit te sluiten.

Complicaties Chronische nierschade kan leiden tot verschillende complicaties. Het risico neemt toe naarmate de eGFR lager is en de albuminurie hoger is.

Mogelijke complicaties zijn: hypertensie; verhoogd risico op hart- en vaatziekten; anemie door verminderde erytropoëtineproductie; metabole acidose; hyperkaliëmie; stoornissen in calcium-, fosfaat- en vitamine D-metabolisme; secundaire hyperparathyreoïdie; botziekte bij chronische nierziekte; vochtretentie; uremie; progressie naar terminaal nierfalen.

Hart- en vaatziekten zijn een belangrijke oorzaak van ziekte en sterfte bij mensen met chronische nierschade.

Behandeling De behandeling is gericht op het vertragen van verdere nierschade, het behandelen van de oorzaak en het voorkomen van complicaties. De aanpak hangt af van de oorzaak, het stadium, de albuminurie en bijkomende risicofactoren.

Algemene maatregelen zijn: behandeling van hoge bloeddruk; goede regeling van diabetes mellitus; verminderen van albuminurie; stoppen met roken; vermijden van nierbeschadigende geneesmiddelen wanneer mogelijk; gezonde voeding en beperking van overmatige zoutinname; behandeling van metabole acidose, hyperkaliëmie, anemie en bot-mineraalstoornissen; opvolging door een huisarts, internist of nefroloog.

Bij patiënten met albuminurie worden vaak ACE-remmers of angiotensine-receptorblokkers gebruikt, vooral bij hypertensie of diabetes. Bij bepaalde patiënten kunnen SGLT2-remmers de achteruitgang van de nierfunctie vertragen en het cardiovasculaire risico verlagen.

In gevorderde stadia kan voorbereiding nodig zijn op nierfunctievervangende therapie. Mogelijkheden zijn hemodialyse, peritoneale dialyse en niertransplantatie.

Prognose De prognose verschilt sterk per patiënt. Sommige vormen blijven jarenlang stabiel, terwijl andere geleidelijk of snel kunnen evolueren naar nierfalen. Belangrijke voorspellers zijn de oorzaak, de eGFR, de mate van albuminurie, bloeddruk, diabetescontrole, leeftijd en cardiovasculaire voorgeschiedenis.

Een lagere eGFR en hogere albuminurie gaan samen met een hoger risico op progressie en hart- en vaatziekten. Vroege opsporing en behandeling kunnen de achteruitgang van de nierfunctie vertragen.

Zie ook Nier Nierfalen Nefron Proximale tubulus Albuminurie Proteinurie Niersteen Nefrocalcinose Ziekte van Dent Dialyse Niertransplantatie

Referenties

Categorie:Nieraandoening Categorie:Nefrologie Categorie:Klinische chemie