Fidentem piumque animum is een encycliek van paus Leo XIII over de rozenkrans, uitgevaardigd op 20 september 1896. Het document is gericht aan de patriarchen, primaten, aartsbisschoppen, bisschoppen en andere plaatselijke ordinarii die in gemeenschap met de Heilige Stoel stonden. De encycliek behoort tot een reeks documenten waarin Leo XIII vanaf 1883 de rozenkransdevotie bevorderde. Thomas A. Thompson rekent twaalf encyclieken en vijf apostolische brieven over de rozenkrans tot deze campagne.

In Fidentem piumque animum behandelt Leo XIII achtereenvolgens het gebed en de gemeenschappelijke rozenkrans, de verhouding tussen de unieke bemiddeling van Christus en de voorspraak van Maria, de betekenis van de rozenkrans voor geloof en boete, en het gebed voor de eenheid van christenen.

Achtergrond en publicatie Leo XIII had de rozenkrans al vanaf de jaren 1880 herhaaldelijk aanbevolen. Volgens Thompson verschenen tussen 1883 en 1898 vrijwel jaarlijks encyclieken over het onderwerp, doorgaans in de aanloop naar oktober. Hij onderscheidt daarbij een eerste groep uit 1883–1885, waarin de openbare beoefening van de rozenkrans werd bevorderd, en een tweede groep uit 1891–1898, waarin meer nadruk kwam te liggen op de betekenis van het gebed voor het kerkelijke en maatschappelijke leven.

Deze documenten ontstonden tijdens een pontificaat waarin de verhouding van de Rooms-Katholieke Kerk tot de moderne samenleving een belangrijk thema vormde. KADOC beschrijft het beleid van Leo XIII als een poging tot meer verstandhouding tussen Kerk en moderne wereld, gekoppeld aan een neothomistisch wereldbeeld, en noemt daarnaast zijn bevordering van de rozenkrans en zijn streven naar hereniging van christelijke gemeenschappen. Thompson plaatst de latere rozenkransencyclieken onder meer tegen de achtergrond van conflicten tussen Kerk en staat en van politieke en intellectuele uitdagingen waarmee het katholicisme in Europa werd geconfronteerd.

Ook de encycliek zelf opent vanuit een crisisperspectief. Leo XIII spreekt over naar zijn oordeel moeilijke tijden voor het christendom en gevaar voor de volkeren, en presenteert de Mariadevotie en in het bijzonder de rozenkrans als een religieus antwoord daarop.

De Latijnse tekst werd gepubliceerd in deel 29 van de Acta Sanctae Sedis over de jaren 1896–1897, op pagina's 204–209.

Inhoud

Gebed en rozenkranspraktijk Leo XIII begint zijn inhoudelijke uiteenzetting met de noodzaak van het gebed. Hij verbindt de werkzaamheid van het gebed in het bijzonder met volharding en met gemeenschappelijk bidden. De herhaling van gebeden in de rozenkrans wordt in deze context voorgesteld als een vorm van volhardend gebed, terwijl het gezamenlijk bidden ervan volgens de encycliek de gemeenschapsdimensie van het christelijke gebed tot uitdrukking brengt.

De paus beveelt tevens het gezamenlijk bidden van de rozenkrans in gezinnen aan. Hij verwijst naar een gebruik waarbij gezinsleden zich aan het einde van de werkdag verzamelden om samen te bidden. Daarnaast herinnert hij aan zijn eerdere apostolische brief Salutaris ille uit 1883, waarin hij had opgeroepen tot het dagelijks bidden van de rozenkrans in de voornaamste kerk van ieder bisdom en op feestdagen in parochiekerken. Ook openbare devoties en bedevaarten worden in dit verband genoemd.

Christus en Maria als bemiddelaars Een centrale theologische passage van de encycliek handelt over de verhouding tussen Christus en Maria. Leo XIII stelt uitdrukkelijk dat de naam en functie van de volstrekte of absolute Middelaar uitsluitend aan Jezus Christus toekomen. Hiervoor verwijst hij naar 1 Timoteüs 2:5–6, waar Christus als de ene middelaar tussen God en mensen wordt aangeduid.

Vervolgens beroept Leo XIII zich op Thomas van Aquino, in het bijzonder op de Summa Theologiae III, q. 26, artt. 1–2. Op basis daarvan onderscheidt hij de unieke bemiddeling van Christus van een afgeleide of dienende vorm van bemiddeling die kan worden toegeschreven aan engelen, heiligen, profeten en priesters voor zover zij volgens deze theologie meewerken aan de vereniging van de mens met God. Aan Maria kent hij binnen die secundaire betekenis een bijzondere plaats toe.

Leo verbindt die plaats van Maria met haar moederschap van Christus en met haar instemming bij de Annunciatie. Daarbij verwijst hij opnieuw naar Thomas van Aquino, ditmaal naar Summa Theologiae III, q. 30, art. 1. De encycliek omschrijft Maria in dit verband als Mediatrix ad Mediatorem, een middelares bij de Middelaar. De gedachte van Maria's betrokkenheid bij het verlossingswerk en van haar bemiddelende rol behoort tot een bredere ontwikkeling binnen de katholieke mariologie die in de vakliteratuur uitvoerig is behandeld.

Geloof en boete Een volgend thema is de verhouding tussen de rozenkrans en het geloof. Volgens Leo XIII worden in de mysteries van de rozenkrans verschillende fasen uit het leven van Christus overwogen: zijn verborgen leven, zijn openbare optreden en lijden, en zijn verheerlijking. De mondelinge gebeden vormen volgens de encycliek tegelijk een belijdenis van geloof in onder meer God, het toekomstige leven, de vergeving van zonden, de Drie-eenheid, de menswording en het goddelijk moederschap van Maria.

De encycliek verbindt geloof bovendien met moreel handelen. Leo XIII bespreekt in dit verband boete en onthouding en stelt dat versoepelingen van kerkelijke vasten- en onthoudingspraktijken door andere goede werken behoren te worden aangevuld. Het overwegen van het lijden van Christus en Maria in de rozenkrans wordt daarbij als een middel tot boete gepresenteerd.

Thompson beschouwt dit als onderdeel van een breder patroon in de rozenkransencyclieken van Leo XIII. Hij karakteriseert de rozenkransleer van de paus als gericht op zowel geloofsvorming als naastenliefde: meditatie over de mysteries van het heil moest niet alleen geloofsinhouden in herinnering brengen, maar volgens deze interpretatie ook leiden tot bekering en verandering van gedrag.

Kerkelijke eenheid In het slotgedeelte verbindt Leo XIII het rozenkransgebed met zijn streven naar hereniging van christenen. Hij verwijst naar het gebed van Christus om eenheid onder zijn leerlingen en naar Handelingen 1:14, waar de leerlingen na de hemelvaart samen met Maria in gebed bijeen zijn. Vanuit dit voorbeeld kent de encycliek Maria een bijzondere rol toe als voorspreekster voor kerkelijke eenheid.

Leo XIII roept in het bijzonder op gedurende oktober voor deze eenheid te bidden. Hij had die maand eerder al met de plechtige beoefening van de rozenkrans verbonden. In Fidentem piumque animum wordt het doel omschreven als eenheid van de gedoopten met Christus en met elkaar in hetzelfde geloof en in liefde. De mysteries van het geloof moeten volgens de slotpassage door de rozenkrans dieper in de gelovigen worden opgenomen en in het leven worden nagevolgd.

Theologische en filosofische context Theologisch legt Fidentem piumque animum enerzijds nadruk op de voorrang van Christus in het verlossingswerk en anderzijds op een daarvan afhankelijke rol van Maria en de heiligen. De passage over bemiddeling maakt dit onderscheid expliciet: Christus is volgens de encycliek de enige volstrekte Middelaar, terwijl andere vormen van bemiddeling slechts in een secundaire en dienende betekenis worden aanvaard. Binnen de geschiedenis van de katholieke mariologie maakt de discussie over Maria als middelares deel uit van een bredere ontwikkeling rond haar plaats in het verlossingswerk en de bemiddeling van genade.

De tekst vertoont daarbij een expliciete aansluiting bij de scholastieke theologie door tweemaal Thomas van Aquino aan te halen in de uiteenzetting over bemiddeling en Maria's instemming met de menswording. Deze verwijzingen staan in de bredere intellectuele context van Leo XIII's bevordering van het thomisme. Oliver P. Rafferty beschrijft de door de encycliek Aeterni Patris uit 1879 bevorderde herleving van de scholastiek als een programma waarmee Leo XIII zowel de katholieke filosofische en theologische wetenschappen wilde vernieuwen als de confrontatie met de moderniteit wilde aangaan.

Voor het mensbeeld in Fidentem piumque animum zijn geloof, gebed en moreel handelen nauw verbonden. De mens wordt voorgesteld als gericht op een uiteindelijk heil bij God; het geloof moet niet alleen innerlijk worden aangenomen maar ook worden beleden en in deugden en goede werken tot uitdrukking komen. Thompson ziet in de rozenkransencyclieken daarom een samenhang tussen contemplatie van geloofsmysteries en praktische levensvorming.

Receptie en betekenis Thompson beschouwt de reeks rozenkransencyclieken van Leo XIII als belangrijk voor de ontwikkeling van de rozenkrans tot een centrale openbare devotie binnen het westerse katholicisme. Volgens hem werd de rozenkrans in deze documenten niet uitsluitend als Mariadevotie voorgesteld: de meditatie over het leven, lijden en de verheerlijking van Christus nam eveneens een centrale plaats in. Hij noemt Fidentem piumque animum specifiek in verband met de geloofsbelijdenis in het rozenkransgebed, de christologische gerichtheid ervan en de leer over Maria's voorspraak.

De blijvende herinnering aan deze documenten blijkt onder meer uit de encycliek Grata recordatio van Johannes XXIII uit 1959. Johannes XXIII herinnerde daarin aan de encyclieken die Leo XIII telkens in de aanloop naar oktober over de rozenkrans liet verschijnen. In de bijbehorende bronverwijzing wordt Fidentem piumque uitdrukkelijk als een van die documenten genoemd.

Zie ook

Lijst van encyclieken van paus Leo XIII

Externe link

Fidentem piumque animum - officiële Engelse tekst op de website van de Heilige Stoel

Bronnen

Categorie:19e-eeuws rooms-katholiek geschrift Categorie:Pauselijke encycliek Categorie:1896