Divinum illud munus is een encycliek van paus Leo XIII, uitgevaardigd op 9 mei 1897 en gewijd aan de Heilige Geest. De Latijnse titel is ontleend aan de openingswoorden van de encycliek; de officiële Latijnse ondertitel luidt de praesentia et virtute mirifica Spiritus Sancti. De brief is gericht aan de patriarchen, primaten, aartsbisschoppen, bisschoppen en andere plaatselijke ordinarissen die in gemeenschap met de Heilige Stoel staan.Leo XIII, Divinum illud munus, encycliek, 9 mei 1897, aanhef en slot, Acta Sanctae Sedis 29 (1896–1897), pp. 644–658.

In de encycliek behandelt Leo XIII de katholieke leer over de Drie-eenheid, de verhouding van de Heilige Geest tot de menswording van Christus, zijn werkzaamheid in de Kerk en in individuele gelovigen, en de verering en aanroeping van de Geest. Aan het slot schrijft hij voor dat jaarlijks in de dagen vóór Pinksteren een noveen tot de Heilige Geest wordt gehouden.Leo XIII, Divinum illud munus, 9 mei 1897, nrs. 12–13, Acta Sanctae Sedis 29 (1896–1897), pp. 644–658. In historisch-theologische studies wordt de encycliek onder meer besproken in verband met de ontwikkeling van de katholieke pneumatologie en de ecclesiologische voorstelling van de Heilige Geest als de ziel van het mystieke lichaam van Christus.

Historische context Leo XIII plaatst Divinum illud munus tegen de achtergrond van twee doelstellingen die hij zelf voor zijn pontificaat formuleert: de bevordering van christelijke beginselen in het maatschappelijke en huiselijke leven en de hereniging met de Rooms-Katholieke Kerk van christenen die volgens zijn terminologie door ketterij of schisma van haar waren gescheiden. Vervolgens kondigt hij aan de werkzaamheid van de Heilige Geest in de Kerk en in de afzonderlijke gelovigen te willen behandelen.Leo XIII, Divinum illud munus, 9 mei 1897, nr. 2, Acta Sanctae Sedis 29 (1896–1897), pp. 644–658.

De negentiende-eeuwse pauselijke opvatting van kerkelijke hereniging moet volgens kerkhistoricus Owen Chadwick in haar eigen historische context worden geplaatst. Chadwick merkt op dat hereniging voor negentiende-eeuwse pausen doorgaans de erkenning van het gezag van de zetel van Rome inhield, hoewel Leo XIII volgens hem een gematigder taal gebruikte en meer ruimte toonde voor de eigen tradities van oosterse katholieken.

De oproep tot gebed vóór Pinksteren was niet geheel nieuw. In de apostolische brief Provida Matris van 5 mei 1895 had Leo XIII al bijzondere gebeden rond Pinksteren aanbevolen in verband met de hereniging van christenen en daarvoor een gebedsperiode van negen opeenvolgende dagen aangeduid.Leo XIII, Provida Matris, apostolische brief, 5 mei 1895, Acta Sanctae Sedis 27 (1894–1895), pp. 645–647. In Divinum illud munus maakte hij deze praktijk twee jaar later tot een jaarlijks voorschrift voor de katholieke Kerk.

Inhoud

Drie-eenheid De eigenlijke leerstellige uiteenzetting begint met de Drie-eenheid. Leo XIII noemt dit dogma, in navolging van eerdere theologische traditie, de „substantie van het Nieuwe Testament”. Hij benadrukt zowel het onderscheid tussen Vader, Zoon en Heilige Geest als de eenheid van het goddelijke wezen.Leo XIII, Divinum illud munus, 9 mei 1897, nr. 3, Acta Sanctae Sedis 29 (1896–1897), pp. 644–658. De dominicaanse theoloog Gilles Emery neemt juist deze formulering van Leo XIII als uitgangspunt voor zijn uiteenzetting over de centrale plaats van de trinitaire leer in het christelijk geloof.

Een belangrijk begrip in dit gedeelte is de theologische appropriatie. Volgens de encycliek zijn de uitwendige werken van de Drie-eenheid gemeenschappelijk aan de drie goddelijke Personen, maar kunnen bepaalde eigenschappen en werkingen wegens hun onderlinge overeenkomst in het bijzonder aan één Persoon worden toegeschreven. Zo worden macht vooral aan de Vader, wijsheid aan de Zoon en liefde aan de Heilige Geest toegeëigend. Leo XIII beroept zich hiervoor onder meer op Augustinus van Hippo en Thomas van Aquino.

Daarbij gebruikt de tekst scholastieke begrippen van oorzakelijkheid. De Vader wordt in deze uiteenzetting aangeduid als werkende oorzaak, de Zoon als exemplarische oorzaak en de Heilige Geest als de oorzaak die het werk naar zijn voltooiing of doel voert. Deze onderscheidingen worden binnen de encycliek uitdrukkelijk geplaatst onder de voorafgaande stelling dat de uitwendige werken van de Drie-eenheid ondeelbaar zijn. De jezuïet I. Filograssi wijdde in 1935 een afzonderlijke studie aan de in Divinum illud munus gebruikte leer over de processie van de Heilige Geest in relatie tot de werking van de wil.

Heilige Geest en Christus Vervolgens behandelt Leo XIII de rol van de Heilige Geest bij de menswording. Hoewel de menswording volgens de encycliek een werk van de gehele Drie-eenheid is, wordt zij in het bijzonder aan de Heilige Geest toegeëigend. De tekst verbindt dit met de voorstelling van de Geest als liefde van de Vader en de Zoon. Ook de zalving van Christus, zijn doop en zijn offer worden in dit verband besproken.Leo XIII, Divinum illud munus, 9 mei 1897, nr. 4, Acta Sanctae Sedis 29 (1896–1897), pp. 644–658.

Leo XIII ziet in de zichtbare verschijning van de Geest bij de doop van Christus tevens een voorafbeelding van twee wijzen waarop de Geest werkzaam is: zichtbaar in de Kerk en innerlijk in de gelovigen.

De Heilige Geest en de Kerk In de nrs. 5 en 6 verbindt de encycliek de uitstorting van de Heilige Geest op Pinksteren met de zichtbare openbaring van de Kerk. De Geest wordt er voorgesteld als degene die de overgeleverde geloofsleer bewaart en die de Kerk blijvend leven en kracht schenkt.Leo XIII, Divinum illud munus, 9 mei 1897, nrs. 5–6, Acta Sanctae Sedis 29 (1896–1897), pp. 644–658.

Een centrale ecclesiologische formulering is de vergelijking waarbij Christus het hoofd van de Kerk en de Heilige Geest haar ziel wordt genoemd. Leo XIII ontleent deze beeldspraak aan Augustinus. Lewis Ayres beschrijft de voorstelling van de Geest als „ziel” van het lichaam van Christus als een terugkerend, zij het relatief beperkt, motief in de officiële katholieke ecclesiologie. Hij wijst erop dat het motief voorkomt in Divinum illud munus en later eveneens in Mystici Corporis Christi van Pius XII en in Lumen gentium van het Tweede Vaticaans Concilie.

Edward Hahnenberg ziet in de latere encyclieken van Leo XIII een groeiende waardering voor het beeld van de Kerk als mystiek lichaam van Christus. Hij benadrukt tegelijkertijd dat deze beeldspraak bij Leo naast de oudere ecclesiologische voorstelling van de Kerk als een „volmaakte maatschappij” bleef bestaan. Hahnenberg noemt Divinum illud munus uitdrukkelijk in dit verband.

Werkzaamheid in de gelovige De nrs. 7 tot en met 9 behandelen de werkzaamheid en inwoning van de Heilige Geest in individuele gelovigen. De encycliek verbindt deze met genade, de aanneming tot kind van God, het doopsel en het vormsel.Leo XIII, Divinum illud munus, 9 mei 1897, nrs. 7–9, Acta Sanctae Sedis 29 (1896–1897), pp. 644–658.

Leo XIII stelt daarbij dat de inwoning van God in de gelovige het werk is van de gehele Drie-eenheid, maar op bijzondere wijze aan de Heilige Geest wordt toegeschreven. De encycliek sluit dit aan bij de voorstelling van de Geest als liefde en gave. Vervolgens behandelt zij de zeven gaven van de Heilige Geest en de vruchten van de Geest.

Het mensbeeld van deze passages staat binnen de klassieke katholieke verhouding tussen natuur en genade: de menselijke natuur wordt beschreven als afhankelijk van God en door de verlossing en genade tot een hogere waardigheid verheven. De tekst spreekt daarbij over wedergeboorte, goddelijk kindschap en deelname aan het goddelijke leven.

Verering en gebed In de nrs. 10 en 11 gaat de encycliek over van leerstellige uiteenzetting naar geestelijke aansporing. Leo XIII roept geestelijken op de gelovigen uitgebreider over de Heilige Geest te onderrichten en spoort christenen aan de Geest te kennen, lief te hebben en aan te roepen.Leo XIII, Divinum illud munus, 9 mei 1897, nrs. 10–11, Acta Sanctae Sedis 29 (1896–1897), pp. 644–658. De praktische consequenties die de encycliek noemt, zijn onder meer gebed, het vermijden van zonde en het nastreven van deugd en heiligheid.

Pinksternoveen Aan het einde van de encycliek verwijst Leo XIII terug naar Provida Matris en bepaalt hij dat in 1897 en vervolgens ieder jaar vóór Pinksteren een noveen moet worden gehouden in alle parochiekerken van de katholieke Kerk. Andere kerken en kapellen konden volgens het oordeel van de plaatselijke ordinarius eveneens deelnemen. Wie om een geldige reden niet aan de openbare gebeden kon deelnemen, kon de noveen volgens de encycliek privé verrichten.

De voorgeschreven gebeden stonden in de encycliek mede in het teken van Leo's streven naar de hereniging van christenen. Aan deelname werden volgens de toenmalige kerkelijke praktijk tevens verschillende aflaten verbonden.

Theologische betekenis en receptie De betekenis van Divinum illud munus in de ontwikkeling van de katholieke pneumatologie wordt in de vakliteratuur verschillend ingebed. Jos Moons beschrijft de bredere ontwikkeling van de preconciliaire katholieke ecclesiologie als een geleidelijke herontdekking van de werkzaamheid van de Heilige Geest. Rond 1900 lag daarbij volgens hem veel nadruk op de Geest als waarborg van de waarheid van het kerkelijk leergezag; vanaf de jaren 1930 kreeg de voorstelling van de Geest als ziel van het mystieke lichaam meer gewicht. Moons kwalificeert deze herontdekking als bescheiden en merkt op dat de ecclesiologie lange tijd sterk hiërarchisch en christocentrisch bleef.

De triniteitsleer vormt tegelijk de grondslag van Leo's behandeling van de Heilige Geest. Emery haalt de openingsstelling over de Drie-eenheid als „substantie van het Nieuwe Testament” aan als karakteristiek voor een katholieke opvatting waarin de trinitaire Godsleer niet als een afzonderlijk leerstuk, maar als het centrum van het christelijk geloof wordt beschouwd.

De encycliek vertoont daarnaast duidelijk scholastieke kenmerken in haar terminologie en bronnengebruik, onder meer door haar behandeling van appropriatie, oorzaak, natuur en genade en door de herhaalde verwijzingen naar Thomas van Aquino. Dit maakt het mogelijk de tekst binnen de scholastieke theologische traditie te situeren, maar vormt op zichzelf geen grond om de gehele encycliek als een afzonderlijk filosofisch systeem te karakteriseren. De specifieke studie van Filograssi uit 1935 laat zien dat juist de metafysische en trinitaire terminologie van de encycliek onderwerp van academische analyse is geweest.

Ayres plaatst de ecclesiologische vergelijking van de Heilige Geest met de ziel van het lichaam van Christus in een langere ontwikkeling van de katholieke ecclesiologie. Hahnenberg wijst op een parallelle ontwikkeling waarbij de mystieke-lichaamstheologie bij Leo XIII meer gewicht kreeg zonder diens institutionele ecclesiologie volledig te vervangen. Deze studies wijzen daarmee op continuïteit tussen thema's in Divinum illud munus en latere katholieke reflectie over de Kerk en de Heilige Geest, zonder dat daaruit zonder nadere bronnen een rechtstreekse causale invloed op latere kerkelijke documenten kan worden afgeleid.

Zie ook

Heilige Geest Paus Leo XIII Pinksteren Noveen Mystici Corporis Christi Dominum et vivificantem Lumen gentium Pneumatologie

Externe link

Divinum illud munus – officiële Engelse tekst op de website van de Heilige Stoel

Literatuur

Categorie:19e-eeuws rooms-katholiek geschrift Categorie:Pauselijke encycliek Categorie:1897