Henricus Egbertus Vinke (Amsterdam, 20 juni 1794 – Utrecht, 27 augustus 1862), ook bekend als Hendrik Egbert Vinke, was een Nederlands-hervormd theoloog, predikant en hoogleraar. Van 1836 tot zijn overlijden was hij hoogleraar theologie aan de Universiteit Utrecht. Hij doceerde er onder meer dogmatiek, praktische theologie en Bijbelse theologie en was in 1839–1840 en 1854–1855 rector magnificus.
Leven en loopbaan Vinke was het enige kind van Lambertus Vinke en Geertruida van Ittersum. Na de Latijnse school studeerde hij van 1811 tot 1813 aan het Athenaeum Illustre in Amsterdam. In 1814 vervolgde hij zijn opleiding in de godgeleerdheid aan de Universiteit Utrecht. Daar kreeg hij onder meer onderwijs van Hermannus Royaards, Jodocus Heringa en Gabriël van Oordt; vooral Heringa oefende grote invloed op hem uit. Ook volgde hij colleges bij de filosoof Philip Willem van Heusde.
Op 1 augustus 1817 werd Vinke toegelaten tot het predikantsambt. Nog datzelfde jaar werd hij predikant in Lage Vuursche. Op 19 juni 1818 promoveerde hij in Utrecht bij Heringa op een proefschrift over Jezus' voorzeggingen van zijn lijden, dood en opstanding. Daarna diende hij achtereenvolgens de hervormde gemeenten van Jutphaas (vanaf 1820), Alkmaar (vanaf 1821) en Utrecht (vanaf 1829).
Op 23 augustus 1836 werd Vinke benoemd tot gewoon hoogleraar in de theologie te Utrecht als opvolger van Heringa. Hij aanvaardde het ambt op 8 december van dat jaar met de rede De germano philosopho, optimo theologo (Over de ware filosoof als de beste theoloog). Naast dogmatiek doceerde hij aanvankelijk homiletiek en later de gehele praktische theologie. Na het overlijden van Hermannus Royaards nam hij ook het kerkrecht voor zijn rekening; daarnaast gaf hij Bijbelse theologie en onderwijs over de Heidelbergse Catechismus. Vinke bleef hoogleraar tot zijn overlijden in 1862.
Vinke was tweemaal rector magnificus van de Utrechtse universiteit, in de studiejaren 1839–1840 en 1854–1855. Hij was lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde en het Provinciaal Utrechts Genootschap van Kunsten en Wetenschappen en werd benoemd tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.
Theologie en publicaties Vinke is omschreven als een bijbels-gereformeerd dogmaticus. Daarmee werd bedoeld dat hij de Bijbel als primaire bron van de dogmatiek beschouwde, maar zijn uitleg mede liet bepalen door de gereformeerde belijdenisgeschriften. De menselijke rede had in zijn theologie een toetsende functie, zonder dat zij volgens hem openbaringswaarheden die het menselijke begrip te boven gingen mocht verwerpen. Zijn positie had een bemiddelend karakter en stond afwijzend tegenover felle kerkelijke partijstrijd.
In 1833 ontving Vinke van het Haagsch Genootschap tot Verdediging van de Christelijke Godsdienst een gouden erepenning voor een verhandeling over de betekenis van Jezus' lijden en sterven.De Utrechtse hooglerarencatalogus vermeldt 1835 als jaar van de ereprijs; het Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek noemt 1833 als het jaar waarin Vinke de gouden penning ontving. Hij bezorgde werken van zijn leermeester Heringa, waaronder diens Disputatio de codice Boreeliano (1843) en Opera exegetica et hermeneutica (1845). Met Libri symbolici Ecclesiae Reformatae Nederlandicae (1846) publiceerde hij een bronnenuitgave van de Nederlandse gereformeerde belijdenisgeschriften. Voor een breder publiek begon hij in 1847 aan Het Nieuwe Testament met ophelderende en toepasselijke aanmerkingen, dat onvoltooid bleef. Zijn academische hoofdwerk was het tweedelige Theologiae christianae dogmaticae ecclesiae reformatae nederlandicae compendium (1853–1854).
Persoonlijk leven Vinke trouwde in 1817 met Petronella Sondorp (1790–1859). Bij zijn overlijden waren drie zonen en drie dochters uit het huwelijk in leven. Een van hun zonen, eveneens Henricus Egbertus Vinke geheten (1831–1904), werd kunstschilder.
Selectie uit de publicaties Specimen hermeneutico-theologicum, quo vaticinationes Jesu Christi, de perpessionibus suis, morte et in vitam reditu, illustrantur et vindicantur (1818) Libri symbolici Ecclesiae Reformatae Nederlandicae (1846) Het Nieuwe Testament met ophelderende en toepasselijke aanmerkingen (vanaf 1847, onvoltooid) Schetsen van leerredenen over den Heidelbergschen Catechismus (1853) Theologiae christianae dogmaticae ecclesiae reformatae nederlandicae compendium (2 delen, 1853–1854)
Literatuur A. de Groot, “Vinke, Henricus Egbertus”, in: D. Nauta e.a. (red.), Biografisch lexicon voor de geschiedenis van het Nederlands protestantisme, deel 3, Kampen: Kok, 1988, p. 371. . L. Knappert, “Vinke, Henricus Egbertus”, in: P.J. Blok en P.C. Molhuysen (red.), Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, deel 5, Leiden: Sijthoff, 1921, kol. 1024–1027. J.I. Doedes, “Levensschets van Henricus Egbertus Vinke”, in: Handelingen en mededeelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden over het jaar 1863, Leiden: Brill, 1863, p. 339–365.
Externe links Profiel in de Catalogus professorum van de Universiteit Utrecht Henricus Egbertus Vinke in het Biografisch Portaal van Nederland
Categorie:Nederlands theoloog Categorie:Nederlands predikant Categorie:Hoogleraar aan de Universiteit Utrecht Categorie:Rector magnificus van de Universiteit Utrecht Categorie:Nederlands persoon in de 19e eeuw