Hermannus Bouman (Idaard, 11 februari 1789 – Utrecht, 14 mei 1864) was een Nederlands hervormd theoloog, oriëntalist, predikant en hoogleraar. Van 1823 tot zijn emeritaat in 1859 was hij gewoon hoogleraar in de godgeleerdheid aan de Universiteit Utrecht, waar hij tevens academieprediker en tweemaal rector magnificus was. Zijn onderwijs omvatte onder meer de natuurlijke theologie, uitleg en kritiek van het Nieuwe en het Oude Testament, de theologische encyclopedie en het Arabisch.F.S. Knipscheer, 'Bouman, Hermanus', in: P.J. Blok en P.C. Molhuysen (red.), Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek, deel 7, Leiden: A.W. Sijthoff, 1927, kol. 189–190.
Zijn voornaam werd officieel als Hermanus vermeld en zijn roepnaam was Herman. Uit voorliefde voor de klassieke talen schreef hij zijn naam zelf bij voorkeur als Hermannus.J.J. van Oosterzee, 'Levensberigt van H. Bouman', in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1864, p. 261–323.
Leven Bouman was een zoon van de hervormde predikant Luttonius Bouman en Lucretia Welmina van der Swaagh. Nadat zijn vader in 1798 predikant in Harderwijk was geworden, bezocht hij daar het gymnasium. Vanaf 1804 studeerde hij theologie aan de Universiteit van Harderwijk. Onder leiding van onder anderen Jean Henri Pareau en Joannes Clarisse verdiepte hij zich naast de theologie in de klassieke en Semitische talen, in het bijzonder het Hebreeuws, Syrisch, Aramees en Arabisch. In 1811 legde hij het voorbereidende examen voor het predikantschap af.
Op 20 september 1812 werd Bouman predikant van de gecombineerde gemeente Oostermeer en Eestrum. In juni 1815 vertrok hij naar Finsterwolde, waar hij naast zijn gemeentewerk zijn taalkundige en theologische studies voortzette. Hij publiceerde vanaf 1818 en schreef tussen 1820 en 1825 onder het pseudoniem Frisius boekbesprekingen voor de Bijdragen tot de beoefening en geschiedenis der Godgeleerde Wetenschappen. Op 2 mei 1820 trouwde hij met Henrica Adriani, een dochter van de predikant en schoolopziener Marcus Jan Adriani.
Hoogleraarschap in Utrecht Op 22 oktober 1822 werd Bouman benoemd tot gewoon hoogleraar in de godgeleerdheid aan de Universiteit Utrecht. De universiteit verleende hem op 13 mei 1823 een eredoctoraat in de theologie. Een week later aanvaardde hij zijn ambt met de Latijnse rede De Belgio, disciplinae theologicae, nostra imprimis aetate, sede pulcherrima et maxime opportuna. In hetzelfde jaar werd hij ook academieprediker.
Bouman doceerde aanvankelijk natuurlijke theologie en de exegese en tekstkritiek van het Nieuwe Testament. Vanaf 1828 gaf hij ook colleges over de uitleg van het Oude Testament; later kwamen daar de theologische encyclopedie en, na het overlijden van Pareau in 1833, de Arabische taal- en letterkunde bij. Zijn onderwijs in de natuurlijke theologie viel op door de brede, historische behandeling van wijsgerige opvattingen over God. In zijn Bijbelcolleges verbond hij filologische tekstuitleg met aandacht voor de historische en literaire context. Onder zijn studenten bevond zich Johannes Jacobus van Oosterzee, die later hoogleraar in Utrecht werd en na Boumans overlijden diens uitvoerige levensbericht schreef.
In de theologische tegenstellingen van zijn tijd zocht Bouman naar een middenpositie. Van Oosterzee omschreef zijn aanvankelijke standpunt als gematigd vrijzinnig; doordat Bouman zowel strikte formuliergebonden orthodoxie als onbegrensde vrijzinnigheid afwees, werd hij later vaker tot de orthodoxe richting gerekend. Volgens Van Oosterzee stichtte hij geen eigen theologische school, maar hadden zijn onderwijs en voorbeeld wel invloed op veel leerlingen.
Bouman was rector magnificus in de studiejaren 1829–1830 en 1844–1845. Naast zijn theologische werk hield hij zich bezig met de geschiedenis van het hoger onderwijs. Zijn tweedelige Geschiedenis van de voormalige Geldersche Hoogeschool en hare Hoogleeraren (1844–1847), grotendeels samengesteld uit ongepubliceerde en zeldzame bronnen, behandelde de geschiedenis van de Universiteit van Harderwijk. In 1849 werd hij benoemd tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Hij was onder meer lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, het Provinciaal Utrechts Genootschap van Kunsten en Wetenschappen en het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen.
Op 19 mei 1859 ging Bouman met emeritaat. Hij bleef daarna publiceren en voltooide kort voor zijn dood vrijwel geheel een commentaar op de Brief van Jakobus, dat in 1865 postuum verscheen. Bouman overleed op 14 mei 1864 in Utrecht, 75 jaar oud.
Publicaties (selectie) Tweetal redevoeringen, ter aanbeveling der belangen van het Bijbelgenootschap (met M. Corstius, 1819) Redevoering, ter godsdienstige inwijding van het tweede eeuwfeest der Utrechtsche hoogeschool (1836) Geschiedenis van de voormalige Geldersche Hoogeschool en hare Hoogleeraren (twee delen, 1844 en 1847) Chartae theologicae librorum censuras et doctrinae sacrae miscella continentes (twee delen, 1853 en 1857) De godgeleerdheid en hare beoefenaars in Nederland, gedurende het laatste gedeelte der vorige en in den loop der tegenwoordige eeuw (1862) Commentarius perpetuus in Jacobi epistolam (postuum, 1865)
Literatuur A. de Groot, 'Bouman, Herman (1789–1864)', in: D. Nauta e.a. (red.), Biografisch lexicon voor de geschiedenis van het Nederlands protestantisme, deel 3, Kampen: Kok, 1988, p. 53–54.
Externe links Auteursprofiel en gedigitaliseerde teksten bij de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren Herman Bouman in het Biografisch Portaal van Nederland Hooglerarenprofiel in de Catalogus professorum van de Universiteit Utrecht
Categorie:Nederlands theoloog Categorie:Nederlands predikant Categorie:Nederlands arabist Categorie:Hoogleraar aan de Universiteit Utrecht Categorie:Rector magnificus van de Universiteit Utrecht