De mijnramp van Minnie Pit was een explosie op 12 januari 1918 in de Minnie Pit, een steenkoolmijn bij Halmer End in het Engelse graafschap Staffordshire. Bij een explosie van mijngas en kolenstof kwamen 155 mannen en jongens om het leven. Twee dagen later overleed ook Hugh Doorbar, de leider van een reddingsploeg, tijdens de reddingswerkzaamheden. De ramp was de zwaarste mijnramp in de geschiedenis van het steenkoolbekken van North Staffordshire.
Achtergrond De Minnie Pit maakte deel uit van de Podmore Hall Colliery bij Audley. De mijn was eigendom van de Midland Coal, Coke and Iron Company. De schacht, die werd gebruikt voor de ventilatie en voor het vervoer van steenkool, water en mijnwerkers, had een diepte van ongeveer 359 yard (328 meter).
De mijn stond bekend om problemen met mijngas, dat in kolenmijnen explosiegevaar kan veroorzaken. In februari 1898 vond in de Bullhurst-laag al een explosie plaats waarbij geen mensen omkwamen. Bij een nieuwe explosie in januari 1915 verloren negen mijnwerkers het leven.
Ramp Op de ochtend van zaterdag 12 januari 1918 bevonden zich 248 mannen en jongens ondergronds. Omstreeks 9.45 uur ontstond een explosie in of nabij een uitgewerkte ruimte in district nummer 4 van de Bullhurst-laag. Het aanwezige mijngas ontplofte en de explosie verspreidde zich vervolgens via kolenstof door delen van de Bullhurst- en Banbury Seven Feet-lagen.
In totaal kwamen 155 mijnwerkers om het leven. Uit het latere onderzoek bleek dat 144 van hen overleden door koolstofmonoxidevergiftiging en elf door een combinatie van lichamelijk letsel en vergiftiging met koolstofmonoxide.
Direct na de explosie werden reddingsploegen ingezet. Op 14 januari overleed Hugh Doorbar, leider van een reddingsploeg van de Birchenwood Colliery, terwijl hij met ademhalingsapparatuur de mijn verkende. De toestand ondergronds bleef door mijngas, instortingsgevaar en mogelijke ondergrondse branden zeer gevaarlijk. De berging duurde uiteindelijk meer dan anderhalf jaar; het laatste lichaam werd op 19 augustus 1919 geborgen.
Onderzoek Het gerechtelijk onderzoek naar de ramp vond in oktober 1919 plaats. De jury concludeerde dat de slachtoffers waren omgekomen door een explosie van mijngas en kolenstof, maar dat er onvoldoende bewijs was om vast te stellen waardoor de eerste vlam was ontstaan. De jury achtte geen individuele persoon verantwoordelijk, maar stelde wel vast dat de gevolgen van de explosie minder ernstig zouden zijn geweest wanneer kolenstof systematisch uit de mijn was verwijderd.
Een formeel onderzoek onder leiding van William Walker, hoofdinspecteur van de Britse mijnen, volgde in december 1919. Zijn rapport verscheen op 31 mei 1920. Walker concludeerde dat de explosie waarschijnlijk in of nabij district nummer 4 van de Bullhurst-laag was begonnen. Als mogelijke ontstekingsbronnen noemde hij een defecte mijnlamp of vonken die waren ontstaan door vallend gesteente; hij achtte een defecte lamp de waarschijnlijkste verklaring.
Het onderzoek wees daarnaast op tekortkomingen bij de bestrijding van kolenstof, de registratie van luchtmetingen en de organisatie van het veiligheidstoezicht in de mijn. Naar aanleiding van het rapport werden in het Britse parlement voorstellen besproken voor strengere regels rond onder meer mijngas, kolenstof, veiligheidsinspecties en springwerkzaamheden.
Nasleep en herdenking De Minnie Pit bleef na de ramp in bedrijf, maar werd in 1930 gesloten. Op het voormalige mijnterrein bevindt zich tegenwoordig een herdenkingsplaats voor de slachtoffers.
De ramp maakte in het Verenigd Koninkrijk grote indruk. De Engelse dichter Wilfred Owen, die tijdens de Eerste Wereldoorlog als officier diende, schreef naar aanleiding van de ramp het gedicht Miners. Het gedicht werd nog diezelfde maand gepubliceerd in The Nation en was een van de weinige gedichten van Owen die tijdens zijn leven in druk verschenen.
Literatuur
Bronnen
Categorie:Mijnramp Categorie:Ramp in 1918 Categorie:Mijnbouw in het Verenigd Koninkrijk Categorie:Geschiedenis van Engeland