Het okergeel mestbreeksteeltje (Conocybe magnispora) is een schimmel uit de familie Bolbitiaceae. De soort leeft saprotroof, vooral op mest van runderen en paarden. (2003). Notulae ad floram agaricinam neerlandicam — XLI. Conocybe and Pholiotina. Persoonia 18(2): 239–252, in het bijzonder p. 241–243.
Kenmerken Uiterlijke kenmerken Hoed De hoed is ongeveer 5–12 mm breed en 4–8 mm hoog. Hij is aanvankelijk kegelvormig tot klokvormig en wordt later halfbolvormig, waarbij hij slechts weinig uitspreidt. De hoed is hygrofaan. In vochtige toestand is hij grijsachtig okerbruin tot oranjebruin en naar de rand toe iets lichter. De rand kan tot ongeveer driekwart van de straal doorschijnend gestreept zijn. Bij opdrogen verbleekt de hoed tot licht okerkleurig. Jonge exemplaren zijn aanvankelijk fijn behaard, maar worden later kaal.
Lamellen De lamellen staan tamelijk dicht opeen en zijn aangehecht. Ze zijn aanvankelijk okerkleurig en worden bij rijping roestbruin.
Steel De steel is ongeveer 18–30 mm lang en 0,8–1,5 mm dik. Hij is cilindrisch, niet wortelend en heeft geen duidelijk knolvormige basis. De kleur verandert van aanvankelijk witachtig naar bleek strogeel tot okerkleurig. Vooral het bovenste deel van de steel is fijn behaard.
Geur en smaak Geur en smaak zijn zwak en niet kenmerkend.
Microscopische kenmerken De sporen meten ongeveer 13,5–20,5 × 7,5–10,5(–11) µm. Ze zijn ellipsoïde tot langwerpig eivormig, niet afgeplat, dikwandig en bezitten een grote apicale kiempore van ongeveer 1,8–2,5 µm breed. De sporen zijn okerbruin tot oranjebruin. De gemiddelde Q-waarde ligt volgens Nederlandse en andere Europese collecties rond 1,65–1,85.
De basidia zijn viersporig en meten ongeveer 20–28 × 12–14 µm. De cheilocystiden zijn lecythiform, ongeveer 17–28 × 6–13 µm groot, met een kopje van doorgaans 3–4(–5) µm breed.
De steelbekleding is belangrijk voor de determinatie. De caulocystiden zijn voornamelijk knotsvormig tot flesvormig, gemengd met min of meer bolvormige cellen en verspreide cilindrische haren. Lecythiforme caulocystiden ontbreken. Een Aziatische studie beschrijft eveneens uitsluitend haarachtige caulocystidenen bevestigt de grote, dikwandige sporen en viersporige basidia. (2009). The genera Conocybe and Pholiotina (Agaricomycotina, Bolbitiaceae) in temperate Asia. Folia Cryptogamica Estonica 45: 23–47.
Ecologie Het okergeel mestbreeksteeltje groeit afzonderlijk of in kleine groepjes, voornamelijk op mest van paarden en runderen. In Nederland is de soort onder meer gevonden op paardenmest en op mest van Schotse hooglanders in voedselarme gebieden op zure zandgrond. Ook buiten Nederland is de soort vooral van mest bekend, al zijn vondsten op bemeste grond gemeld.
Verspreiding De soort werd oorspronkelijk beschreven uit Florida in de Verenigde Staten. De eerste als zodanig herkende Europese vondsten werden in 2003 gepubliceerd; daarbij werden collecties uit Nederland, Frankrijk en Zweden behandeld. Later is de soort onder meer gemeld uit andere delen van Europa en uit Azië. Er zijn daarnaast vondsten bekend uit Noord- en Zuid-Amerika. (2014). Some rare and interesting Conocybe found in Vyzhnytsia National Nature Park (Ukrainian Carpathians). Mycobiota 4: 1–25.
In Nederland is het okergeel mestbreeksteeltje zeer zeldzaam.NDFF Verspreidingsatlas – Nederlandse paddenstoelen zonder foto, onder Conocybe magnispora. Geraadpleegd op 20 september 2026. De eerste bekende Nederlandse collectie werd in 1999 gevonden in het Bargerbos bij Emmen op paardenmest. Een tweede collectie werd in 2001 bij het Orvelterzand bij Orvelte verzameld op mest van schotse hooglander. In de Ecologische Atlas van Paddenstoelen in Drenthe wordt de soort eveneens als zeer zeldzaam vermeld. Ecologische Atlas van Paddenstoelen in Drenthe, hoofdstuk Paddenstoelen op mest, p. 150.
Taxonomie De soort werd in 1943 door de Amerikaanse mycoloog William Alphonso Murrill oorspronkelijk beschreven als Galerula magnispora. Rolf Singer bracht de soort in 1950 over naar het geslacht Conocybe, waardoor de huidige naam Conocybe magnispora ontstond. Species Fungorum – Conocybe magnispora (Murrill) Singer. Geraadpleegd op 20 september 2026.
De soort werd pas veel later in Europa herkend. Arnolds en Hausknecht publiceerden in 2003 de eerste Europese melding en vergeleken Europees materiaal met het type-exemplaar uit Florida. Zij vonden geen wezenlijke verschillen tussen het Noord-Amerikaanse en Europese materiaal.
Gelijkende soorten Het okergeel mestbreeksteeltje kan vooral worden verward met andere grootsporige, op mest groeiende soorten van Conocybe.
Het donzig breeksteeltje (Conocybe pubescens) heeft sporen van ongeveer dezelfde grootte, maar bezit op de steel naast andere cystiden ook duidelijk lecythiforme caulocystidia. Deze ontbreken bij C. magnispora.
Conocybe singeriana heeft eveneens grote sporen en viersporige basidia, maar vormt grotere vruchtlichamen en heeft een duidelijk knolvormige steelbasis. Conocybe watlingii heeft een wortelende steelbasis en bezit enkele lecythiforme cystidia op de steel.
Categorie:Bolbitiaceae Categorie:Schimmelsoort