De zakjestrilzwam (Ascotremella faginea) is een schimmel uit de familie Gelatinodiscaceae. Het is een saprotrofe soort die groeit op dood hout van loofbomen, vooral van beuk (Fagus). Ondanks de gelatineuze, op een trilzwam lijkende vruchtlichamen behoort de soort tot de zakjeszwammen.
Kenmerken Uiterlijke kenmerken De apotheciën zijn kort gesteeld en aanvankelijk min of meer tol- tot halfbolvormig. Afzonderlijke apotheciën zijn ongeveer 10–20 mm breed, maar ze groeien vaak dicht tegen elkaar aan en kunnen zo een grotere, onregelmatig gelobde en hersenachtig geplooide massa vormen. De vruchtlichamen zijn zacht en gelatineus. Het oppervlak is glad tot enigszins gerimpeld en bij vochtig weer glanzend. De kleur varieert van roze-paars of violet tot purperbruin en donkerbruin.
Microscopische kenmerken De asci zijn cilindrisch tot knotsvormig, achtsporig en meten ongeveer 70–80 × 7–8 µm. De parafysen zijn draadvormig en ongesepteerd.
De ascosporen zijn ellipsoïde, kleurloos en ongeveer 7–9 × 3,5–4,5 µm groot. Ze bevatten vaak twee oliedruppels. Kenmerkend zijn zeer fijne lengtestrepen op de sporenwand. Deze ornamentatie is met een gewone lichtmicroscoop moeilijk waarneembaar, waardoor de sporen op het eerste gezicht glad kunnen lijken.
Ecologie De zakjestrilzwam leeft saprotroof op dood hout van loofbomen. In Nederland wordt de soort vooral gevonden op dood hout van beuk (Fagus), maar hij is ook gemeld van onder andere esdoorn (Acer) en els (Alnus). Hij komt vooral voor in loofbossen op vochtige, min of meer voedselrijke bodems.
Ook buiten Nederland wordt de soort aangetroffen op afgevallen takken en stammen van beuken en andere loofbomen.
Gelijkende soorten Door de gelatineuze en vaak sterk geplooide vruchtlichamen kan de zakjestrilzwam oppervlakkig op echte trilzwammen lijken. Microscopisch is de soort daarvan gemakkelijk te onderscheiden door de aanwezigheid van asci, aangezien echte trilzwammen tot de Basidiomycota behoren.
Ook de roze knoopzwam (Neobulgaria pura) kan erop lijken. Een belangrijk microscopisch verschil is dat de ascosporen van de zakjestrilzwam fijne lengtestrepen hebben, terwijl die van Neobulgaria pura glad zijn.
Taxonomie De soort werd in 1890 door de Amerikaanse mycoloog Charles Horton Peck oorspronkelijk beschreven als Haematomyces fagineus. Fred Jay Seaver plaatste de soort in 1930 in het geslacht Ascotremella, waarmee de huidige naam Ascotremella faginea ontstond. Een later gebruikte naam is Neobulgaria faginea (Peck) Raitv., die als synoniem van Ascotremella faginea wordt beschouwd.
Verspreiding De zakjestrilzwam is bekend uit verschillende delen van Europa en Noord-Amerika en is daarnaast gemeld uit Zuid-Amerika, Australië en delen van Azië. In 2019 werd de soort voor het eerst formeel uit Japan gerapporteerd; het materiaal was verzameld op een afgevallen tak in een beukenbos.
In Nederland werd de soort al aan het einde van de jaren 1960 gevonden. Een vondst uit het Dijkgatbos in de Wieringermeerpolder werd in 1971 door J. Geesink in Coolia beschreven. Anno 2026 geldt de zakjestrilzwam volgens de NDFF Verspreidingsatlas als algemeen.
Categorie:Gelatinodiscaceae Categorie:Schimmelsoort