Fritz Yngvar Moen (Sarpsborg, 17 december 1941 - Oslo, 28 maart 2005) was een Noorse man die postuum werd vrijgesproken van twee moorden waarvoor hij in de jaren zeventig was veroordeeld. Zijn zaak, bekend als de Moen-saken, geldt als de ernstigste gerechtelijke dwaling in de Noorse geschiedenis en leidde tot een officiële onderzoekscommissie en hervormingsdebatten binnen het strafrechtelijk systeem.

Jeugd en achtergrond Moen werd geboren als zoon van de Noorse Betzy Moen en de Duitse korporaal Fritz Robert Hellman, die diende tijdens de Duitse bezetting van Noorwegen in de Tweede Wereldoorlog. Zijn vader sneuvelde in 1944 aan het Oostfront en ontmoette zijn zoon nooit. Moen werd vrijwel doof geboren en had een ernstige spraakstoornis. In juni 1943 werd hij in een kindertehuis in Skjeberg geplaatst. Hij groeide grotendeels op zonder stabiel gezinscontact en had tot zijn zevende levensjaar nauwelijks contact met andere dove personen. Volgens latere deskundigen leidde dit tot een vertraagde taalontwikkeling en blijvende problemen met taalbegrip en sociale interactie.

Van 1949 tot 1957 bezocht hij de dovenschool in Oslo. Hij ondervond er aanpassingsproblemen en werd als een moeilijke leerling beschouwd. In 1966 raakte Moen zwaargewond bij een bromfietsongeval, waarbij hij een schedelbreuk opliep en grotendeels verlamd raakte aan zijn rechterarm. Zijn invaliditeit werd op circa 70 procent vastgesteld. Hij werd arbeidsongeschikt verklaard en verbleef het grootste deel van zijn leven in instellingen voor doven.

Veroordelingen In 1978 werd Moen in Trondheim veroordeeld voor de verkrachting en moord op Torunn Finstad, die in oktober 1977 was verdwenen en kort daarna dood werd aangetroffen. Hij kreeg aanvankelijk twintig jaar gevangenisstraf, later verminderd tot zestien jaar. In 1981 werd Moen veroordeeld voor de moord op Sigrif Heggheim, die in september 1976 was gewurgd en bij wie een poging tot verkrachting was vastgesteld. Hiervoor kreeg hij vijf jaar extra straf.

In totaal werd Moen veroordeeld tot 21 jaar gevangenisstraf en aanvullende veiligheidsmaatregelen. Hij zat achttienenhalf jaar vast, grotendeels in isolatie. Tijdens zijn detentie kampte hij met ernstige eenzaamheid en psychische problemen. Psychiater Inger Thoen stelde dat zijn omstandigheden "antitherapeutisch" waren en sprak van een door de inrichting veroorzaakte isolatiepsychose.

De veroordelingen waren hoofdzakelijk gebaseerd op betekenissen die Moen tijdens politieverhoren had afgelegd. Later werd aannemelijk geacht dat deze onder druk tot stand waren gekomen. Zijn beperkte taalbegrip en communicatieve vaardigheden speelden daarbij een cruciale rol. Deskundigen verklaarden dat hij geneigd was in te stemmen met autoriteiten zonder de implicaties volledig te begrijpen. Bewijsmateriaal dat zijn onschuld had kunnen aantonen, waaronder biologisch materiaal van de plaats delict, werd destijds verzameld maar later vernietigd of raakte zoek.

Herziening en vrijspraak Eind jaren negentig zette privé-onderzoeker Tore Sandberg zich in voor heropening van de zaak. Op 7 oktober 2004 werd Moen vrijgesproken van de moord op Heggheim, nadat het hof oordeelde dat forensisch bewijs hem uitsloot en dat er destijds redelijke twijfel had moeten bestaan. Moen overleed op 28 maart 2005, nog voordat zijn naam volledig was gezuiverd.

In december 2005 bekende de gewelddadige recidivist Tor Hepsø op zijn sterfbed beide moorden. Op 24 augustus 2006 werd Moen postuum vrijgesproken van de moord op Finstad. Het hof concludeerde dat Hepsø een waarschijnlijkere dader was en dat Moens bekentenissen slechts publiek bekende details bevatten.

Onderzoek en nasleep Op 25 juni 2007 presenteerde een door hoogleraar Henry John Mæland geleide commissie haar rapport aan minister van Justitie Knut Storberget. De commissie stelde dat politie, openbaar ministerie en rechters herhaaldelijk het objectiviteitsbeginsel hadden geschonden en dat ontlastend bewijsmateriaal was achtergehouden. De zaak werd algemeen aangeduid als de ernstigste gerechtelijke dwaling in Noorwegen.

In april 2008 trof de Noorse staat een schikking met Moens nalatenschap ter waarde van 20 miljoen Noorse kronen. Een deel van het bedrag werd bestemd voor een onderzoeksfonds om gerechtelijke dwalingen in de toekomst te voorkomen. Minister Storberget bood publiekelijk zijn excuses aan voor het onrecht dat Moen was aangedaan. De Moen-zaak leidde tot brede maatschappelijke reflectie over de rechtsstaat, de omgang met kwetsbare verdachten en het belang van het vermoeden van onschuld. Moen, die tijdens zijn leven grotendeels geïsoleerd was geweest, werd na zijn dood een symbool van de noodzaak tot zorgvuldigheid en rechtsbescherming binnen het Noorse strafrecht.

Categorie:Noors persoon