Jagtlust is een buitenplaats aan de Eemnesserweg 38 te Blaricum. De villa werd in 1871 in neoclassicistische bouwtrant gebouwd op de grens van zandgrond en polder, op de plaats van een ouder, achttiende-eeuws jachtslot. In 1924 verbouwde de plaatselijke architect W. Hamdorff het huis in neobarokke stijl. Het pand staat sinds 1989 ingeschreven in het register van rijksmonumenten. Tussen 1954 en 1971 was Jagtlust de woon- en ontmoetingsplaats van de dichteres Fritzi Harmsen van Beek en groeide het uit tot een centrum van de naoorlogse Nederlandse literaire en artistieke avant-garde.
Bouwgeschiedenis Stichting en eerste eigenaars De villa werd in 1871 gebouwd in opdracht van de steenfabrikant Haverkamp, die op de overgang tussen Laren en Blaricum een buitenhuis op stand wenste. Het ontwerp was in neoclassicistische bouwtrant: een symmetrische, drie vensterassen brede voorgevel met een risalerende middenpartij en pilasters die ter hoogte van de verdieping overgaan in Korinthische pilasters. Tussen de kapitelen werd de naam Jagtlust uitgehouwen. Tien jaar na de bouw ging Haverkamp failliet. Na een drietal opvolgende eigenaars kwam de buitenplaats in 1903 in handen van de koopman Jean Daniel Landré, die haar voor drieduizend gulden verwierf. Op het belendende perceel (nummer 36) liet zijn schoonzoon de villa Zonnenhoef bouwen, ontworpen in een eigentijdse stijl.
Verbouwing door Hamdorff In 1924 verbouwde de Larense architect W. Hamdorff het huis in neobarokke stijl. Hij voegde aan de zuidzijde een achthoekige serre toe en aan de oostzijde een balkon dat werd ondersteund door gehouwen consoles en omgeven door een decoratieve ijzeren balustrade. De dakkapellen aan de oostzijde kregen ovaalvormige vensters in een barokke sieromlijsting, en op de vier hoeken van het afgeknot schilddak werden witgepleisterde schoorstenen geplaatst met guirlandes. In deze vorm is het huis grotendeels bewaard gebleven.
Verval en bezetting Na de dood van de eigenaar in 1936 trad een periode van verval in. Vlak voor de Tweede Wereldoorlog werd Jagtlust korte tijd door een groep geestelijken als sanatorium gebruikt. Tijdens de oorlog werd het huis door de Duitse bezetter gevorderd om er circa dertig soldaten in te huisvesten. Na de oorlog verviel de buitenplaats verder. In het begin van de jaren vijftig kwam het terrein, dat een oppervlakte van vier hectare besloeg, in handen van de aannemer en grondspeculant Duurkoop. Een gemeentelijke bouwstop verhinderde echter de door hem gewenste herontwikkeling.
Kunstenaarsperiode (1954–1971) In 1954 betrok de jonge dichteres Frederike (Fritzi) ten Harmsen van der Beek de leegstaande villa met haar zoontje Gilles, na het verlies van het ouderlijk huis aan de Torenlaan. Aanvankelijk kraakte zij het pand; later betaalde zij een symbolische huur. Door bemiddeling van de ambtenaar Reindert Marsman, de vader van de schrijver J. Bernlef, kocht de gemeente Amsterdam Jagtlust en het naastgelegen Zonnenhoef op 5 juni 1955 voor respectievelijk 65.000 en 55.000 gulden. Harmsen van Beek werd aangesteld als huisbewaarster en kreeg het recht de benedenverdieping onder te verhuren.
Vanaf het Boekenbal van 1956, waar Harmsen van Beek de dichter Remco Campert ontmoette die zij meenam naar Blaricum, groeide Jagtlust uit tot een trefpunt van de zogenoemde Leidsepleinscene. Tot de geregelde bezoekers behoorden onder anderen Gerard Reve – die de villa typeerde als een gigantisch krothuis – Simon Vinkenoog, Lucebert, Bernlef, Theo Sontrop, Ed van der Elsken, Johan van der Keuken, Rijk de Gooyer, Cees Nooteboom en Bert Schierbeek. Op 20 december 1957 trouwde Harmsen van Beek op Jagtlust met Campert; het huwelijk werd in 1960 ontbonden. De bundel Alle dagen feest (1959) van Campert en passages uit Reves Op weg naar het einde (1963), waarin Harmsen van Beek figureert als Mevrouw Oofi, zijn rechtstreeks geïnspireerd op het leven in de villa.
In de loop van de jaren zestig nam de aanloop af en raakte het huis in verval, mede door de groeiende kattenkolonie die Harmsen van Beek onderhield. Een poging van de Amsterdamse voetbalclub Ajax om de buitenplaats in 1969 in te lijven werd door de gemeente Blaricum gedwarsboomd. In 1971 besloot de gemeente Amsterdam het bezit van de hand te doen. Jagtlust werd voor twee ton verkocht aan een projectontwikkelaar; Zonnenhoef ging voor 175.000 gulden naar dezelfde koper. Harmsen van Beek werd verplicht het pand per 31 mei 1971 te ontruimen. Bevriende schrijvers en uitgevers brachten daarop een bedrag bijeen waarmee voor haar een woning in het Groningse dorp Garnwerd werd gekocht.
Latere geschiedenis Na 1971 wisselde de villa enkele malen van eigenaar en werd zij grondig gerestaureerd. Op 14 juni 1989 werd Jagtlust ingeschreven in het register van rijksmonumenten (nr. 509314). Volgens de toelichting van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed is de villa van algemeen belang uit cultuur- en architectuurhistorisch oogpunt als gaaf bewaard gebleven voorbeeld van een villa uit de tweede helft van de 19de eeuw in neoclassicistische bouwtrant met neobarokke elementen.
In 1998 verscheen het debuut van Annejet van der Zijl, Jagtlust, dat de bewogen geschiedenis van de villa en haar bewoners beschrijft. Het boek vestigde de aandacht van een breed publiek op de rol die de buitenplaats had gespeeld in de naoorlogse Nederlandse cultuurgeschiedenis.
Literatuur Annejet van der Zijl, Jagtlust. Meulenhoff, Amsterdam, 1998. Herziene tweede druk: Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam, 2005,
Maaike Meijer, Hemelse mevrouw Frederike. De Bezige Bij, Amsterdam, 2018,
Externe links Beschrijving in het Rijksmonumentenregister
'Eemnesserweg 38' op Bijzonder Blaricum
Bronnen en referenties
Categorie:Bouwwerk in Blaricum