miniatuur|300x300px|De dertien factorijen in Kanton. De VOC-factorij Kanton bevond zich aan de oever van de Parelrivier net buiten de stadsmuren van Kanton aan de zuidkust van China. De factorij werd gesticht door de VOC in het begin van de 18e eeuw en hield zich bezig met de inkoop van vooral thee, porselein en zijde voor verkoop op veilingen in de Republiek. In 1822 werd de factorij na een brand opgeheven en omgezet in een consulaat.

Historie miniatuur|228x228px|Sampans en de kade in Kanton. De VOC dreef al sinds het begin van de 17e eeuw handel op de zuid- en westkust van China, zij het dat de officiële mogelijkheden aanzienlijk beperkt werden door het keizerlijke hof. De gezantschappen naar Peking, zoals die van Joan Nieuhof, kregen slechts gedaan dat één schip per jaar handel mocht komen drijven. Daarnaast vond de handel vooral plaats door Chinese kooplieden die hun handelswaar met jonken van Kanton en de Portugese enclave Macau naar Batavia brachten. Het ging daarbij vooral om thee, die geruild werd voor peper en specerijen. Thee werd in Europa steeds populairder, vooral in Groot-Brittannië, en in het begin van de 18e eeuw begonnen ook diverse andere Europese handelsmaatschappijen op China te varen, waar zij thee inkochten met gemunt of ongemunt zilver. De thee die ze daar dicht bij de bron kochten was goedkoper en van betere kwaliteit dan de thee van de jonken. Ze trokken daarmee een groot deel van de verkoopopbrengsten in Europa naar zich toe. De Heren XVII, de directie van de VOC, wilde daarom dat ook vanuit Batavia VOC-schepen naar China werden gezonden. Die opdracht werd in Batavia genegeerd omdat de jonkenhandel te belangrijk was voor de lokale economie. Ook kwamen met de jonken behalve handelswaar ook immigranten mee die wilden werken in de suikerindustrie.miniatuur|Chinese jonken liggen voor anker.Dus stuurden de Heren XVII in 1728 zelf een schip rechtstreeks naar Macau; de Coxhoorn. De reis had veel succes. Het lukte om in Kanton, een grote stad verder stroomopwaarts van Macau in de Parelrivierdelta gelegen, een eerste onderkomen te stichten in het gehuurde achterste deel van de woning van een Chinese koopman. De Coxhoorn kwam in 1730 terug met 268.479 pond thee en een grote hoeveelheid porselein en andere producten, die een winst opleverden van 100 procent. Hoewel het porselein niet bijzonder winstgevend was vulden thee en porselein elkaar als handelsproducten goed aan. Thee was een lichte lading en de porselein, behalve dat de thee eruit gedronken kon worden, diende op de schepen tevens als extra ballast. Door het onderin het schip te vervoeren werd de thee ook beter droog gehouden.Het porselein werd veelal uit de provincie Jiangxi diep in het binnenland via rivieren en over bergen naar Kanton gebracht en van daar verder langs de kust verkocht. De volgende jaren volgden nog elf schepen, wat de VOC weer de dominante positie in de Chinese theehandel gaf.

Handel miniatuur|Vanwege hun diepgang konden Europese schepen niet verder varen dan het eiland Whampoa in de Parelrivier. Daar waren loodsen voor de opslag van goederen die met sampans en sloepen naar en van Kanton werden vervoerd. Ondanks de behaalde winsten was de directe vaart op China met slechts ballast en kostbaar zilver aan boord niet efficiënt. Op 11 maart 1734 werd besloten de handel te integreren in de inter-Aziatisch handel van de VOC. Batavia kreeg opdracht de handel voortaan over te nemen. In 1735 vertrokken de eerste twee schepen vanuit Batavia naar China. Die voeren daarna met hun lading direct door naar de Republiek. De volgende jaren werd redelijke winst gemaakt met drie of vier schepen per jaar, en ook de jonkenvaart bleef doorgaan. In plaats van met zilver kon nu grotendeels betaald worden met de opbrengst van specerijen, sandelhout uit Timor, tin uit Malakka en andere tropische producten als kamfer en gedroogde vogelnestjes uit Java. De keerzijde was dat die producten eerst in Kanton verkocht moesten worden, terwijl de Europese concurrenten met hun zilver direct konden inkopen en eerste keus hadden uit de beste theesoorten. Handel werd gedreven met de zogenaamde Hangisten, leden van een Chinese hong, vergelijkbaar met een gilde of handelshuis, dat veel geld aan de lokale autoriteiten betaalde voor het alleenrecht op de handel met Europeanen. Andere Hangisten waren verhuurders van de factorijen en zorgden voor hun proviandering en personeel. Zij werden fiadors genoemd. De handelaren waren compradors. Ze konden hoge winsten maken maar liepen ook een hoog risico omdat ze veel werkten met leningen en voorschotten. Ze werden financieel uitgeperst door de hoppo, de hoge keizerlijke mandarijn die verantwoordelijk was voor het toezicht op de overzeese handel en de belasting- en tolheffing. De Hong-kooplieden berekenden wat ze de hoppo schuldig waren zoveel mogelijk door naar de Europeanen, wat slecht was voor de handel. Van de Heren XVII mocht niet gehandeld worden met Hangisten die ook zaken deden met andere Europese maatschappijen, om het uitlekken van bedrijfsgeheimen te voorkomen. In 1744 werd ook een verbinding met het Indiase Suratte opgezet en werden enkele kooplieden overgeplaatst naar de daar gevestigde factorij.

Factorij miniatuur|De Britse en Nederlandse factorij, met jonken en sampans op de rivier. Aanvankelijk moest de factorij in Kanton aan het eind van het handelsseizoen steeds ontruimd worden, maar in 1749 kreeg de VOC via de Hangisten toestemming van de hoppo om een vaste factorij in te richten. De factorij stond het meest stroomafwaarts in een rij van uiteindelijk dertien Europese factorijen aan een stenen kade op de noordelijke oever van de Parelrivier, buiten de stadsmuren. De Nederlandse en de Britse factorij waren de grootste. De carga’s en supercarga’s, zoals de kooplieden in de handel op China werden genoemd, mochten de stad niet in en mochten ook hun gezinnen niet bij zich hebben. Zelf mochten ze alleen tijdens het handelsseizoen van september tot maart in de factorij verblijven. De rest van het jaar waren ze in Macau. Hun contact met Chinezen beperkte zich tot ambtenaren en de Hong-kooplieden, en het was verboden Chinees te leren. Dit zogeheten Kantonsysteem bleef bestaan tot de Eerste Opiumoorlog halverwege de 19e eeuw. Voor Europese kooplieden stond tegenover het nadeel van hun afzondering dat zij veel geld konden verdienen met de door hun werkgever oogluikend toegestane privéhandel in een beperkte hoeveelheid thee en in hoogwaardige Chinese kunst- en gebruiksvoorwerpen die te koop waren in winkels in enkele straatjes tussen de factorijen. De vestiging in Kanton werd wel eens een gouden kooi genoemd. miniatuur|De factorij op een porseleinen kom. In 1762 volgde toestemming van de hoppo om een heel complex als factorij in te richten, waarin zo’n veertig medewerkers konden wonen en goederen konden worden opgeslagen. De factorij werd de jaren daarna verder opgebouwd en had een opvallende overdekte veranda en grote schuiframen. Op de begane grond waren opslagruimtes, kantoren, kamers voor het lagere personeel en een granieten brandkast. Op de eerste verdieping waren de eetzaal en kamers voor de carga's en boekhouders. Aan de achterkant van de factorij waren pakhuizen. De handel op China was Batavia toen alweer uit handen genomen vanwege de teruglopende winst. Van 100 procent was die gedaald naar 10 procent in 1754, omdat het aanbod de Europese vraag begon te overtreffen. De brutowinst moest minstens 40 procent bedragen om kostendekkend te zijn. Op 14 oktober 1755 was door de Heren XVII de Chinasche Commissie opgericht die verbetering in de handel moest brengen.

De Chinasche Commissie miniatuur|Het hele theeproductieproces in beeld gebracht. Plukken, vervoer, keuren, wegen, verpakken en onderhandelingen tussen Europeanen en Chinezen. De Chinasche Commissie bestond uit drie Amsterdamse bewindhebbers, de Compagniesadvocaat en later nog een beëdigde hoofdparticipant als vijfde lid. De commissie besloot dat het beleid voor de handel in China voortaan de verantwoordelijkheid werd van een Commercieraad in Kanton, bestaande uit de directeur van de factorij en de belangrijkste carga’s. Ook rechtspraak, de burgerlijke stand en notariële akten moesten door die raad verzorgd worden. De Chinasche Commissie reedde tot het midden van de jaren negentig jaarlijks 4 à 5 grote schepen naar Kanton uit die alle via Batavia voeren om daar Aziatische goederen in te nemen. Vanuit Kanton kwamen ze terug in de Republiek met ongeveer een kwart miljoen stuks porselein onder in het ruim, daar bovenop 5000 stuks zijde en linnen, 600 stuks lakwerk, en 500.000 tot 600.000 pond thee in kisten. De opleving was echter maar tijdelijk. Tegen het eind van de 18e eeuw ging de handel weer erg achteruit als gevolg van de Vierde Engels-Nederlandse Oorlog,In 1781, toen men in Kanton nog niet wist dat het oorlog was werden drie retourschepen door de Britten gekaapt, terwijl een vierde door de bemanning in brand werd gestoken. Gedurende de oorlog kwam de scheepvaart grotendeels stil te liggen. Van drie door de Chinasche Commissie onder neutrale vlag uitgezonden schepen vergingen er twee en kwam er maar een terug. Tussen 1784 en 1790 vergingen nog eens vier schepen, de meeste in de Chinese Zee. gebrek aan zilver en de opkomst van de vrije vaart van particuliere ‘country traders’, die minder onkosten hadden dan de VOC. Ook de net onafhankelijk geworden Amerikanen begonnen op Kanton te varen en stichtten in 1784 een factorij. De theeprijzen stegen in Kanton en daalden op de veilingen in Europa. De ambassade in 1794 naar het hof van keizer Qianlong in Peking door Isaac Titsingh en de directeur van de factorij Andreas van Braam Houckgeest was een succes, maar door de dood van de keizer kort daarna, de Bataafse Revolutie in Nederland en opnieuw oorlog met Groot-Brittannië kon daar geen profijt van getrokken worden.

Na de VOC miniatuur|De brand van 1822. Ook na het faillissement van de VOC werd de handel voor zover als mogelijk voortgezet door de Chinasche Commissie, die als een apart bedrijf werd gezien. In tijd van oorlog gebeurde dat met schepen die voeren onder een neutrale vlag, meestal een Deense, Zweedse, Hamburger of Pruisische vlag. In 1809 moest het nieuwe koloniale bestuur in Batavia echter bijspringen. Er werd zwaar bezuinigd en het personeel werd ingekrompen. Na de inlijving van Nederland bij het Eerste Franse Keizerrijk in 1810 en de bezetting van Java door de Britten kon er geen handel meer gedreven worden. Thee die al besteld was moest betaald worden met voorschotten tegen hoge rente van de Hangisten, zodat de overgebleven carga’s voor ruim 300.000 gulden bij hen in de schuld kwamen te staan. In 1817 werd de handel overgenomen door het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden. In 1822 brak een enorme brand uit die een groot deel van de dertien factorijen in de as legde. Per Koninklijk besluit werd toen op 21 augustus de Nederlandse factorij opgeheven en vervangen door een consulaat. Als eerste consul werd aangesteld de supercarga Johannes Hendrik Bletterman, die als arts en carga al meer dan twintig jaar in de factorij werkte en meegeweest was op de ambassade naar Peking. Adjunct was de boekhouder Bernard Zeeman. Door de in 1824 opgerichte Nederlandsche Handel-Maatschappij werden jaarlijks nog twee tot vier schepen naar Kanton gestuurd om thee in te kopen, maar terwijl de Britten en de Amerikanen dat met de opiumverkoop konden bekostigen moest de NHM het met Leids laken en tropische producten doen. In 1830 staakte de NHM de theevaart.

Directeuren van de factorij in Kanton miniatuur|273x273px|Chinese jonk in de Parelrivier.