James Burnham (Chicago, 22 november 1905 – Kent (Connecticut), 28 juli 1987) was een Amerikaans filosoof, politiek theoreticus, publicist en anticommunistisch intellectueel. In de jaren 1930 was hij een prominent vertegenwoordiger van het Amerikaanse trotskisme. In 1940 brak hij met het marxisme. Daarna verwierf hij bekendheid met onder meer The Managerial Revolution (1941) en The Machiavellians (1943), waarin hij respectievelijk de opkomst van een bestuurlijke of managerial elite en de rol van elites en macht in de politiek analyseerde.
Na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde Burnham zich tot een uitgesproken anticommunistisch denker. Hij keerde zich tegen een Amerikaanse politiek die zich beperkte tot de containment van de Sovjet-Unie en pleitte voor een actievere strategie gericht op het terugdringen van het communisme. In 1955 hielp hij William F. Buckley jr. bij de oprichting van het conservatieve tijdschrift National Review, waarvan hij jarenlang een van de belangrijkste redacteuren en auteurs was.
Burnhams politieke ontwikkeling — van revolutionair marxist tot invloedrijk intellectueel van Amerikaans rechts — en zijn theorieën over bestuurlijke elites, politieke macht en de Koude Oorlog hebben hem een plaats gegeven in de Amerikaanse intellectuele geschiedenis van de twintigste eeuw. Zijn werk werd zowel gebruikt als bekritiseerd door auteurs van uiteenlopende politieke overtuigingen, onder wie George Orwell.
Leven en loopbaan
Jeugd en opleiding Burnham werd in 1905 in Chicago geboren in een welgesteld gezin. Zijn vader, Claude George Burnham, was vanuit Engeland naar de Verenigde Staten geëmigreerd en maakte carrière bij de spoorwegen. Burnham studeerde aan Princeton University en vervolgens aan Balliol College van de Universiteit van Oxford. Daarna ging hij filosofie doceren aan New York University (NYU), waar hij gedurende meer dan twee decennia werkzaam bleef.
Zijn vroege intellectuele belangstelling lag zowel bij filosofie en literatuur als bij politieke theorie. De combinatie van theoretische belangstelling en politieke betrokkenheid zou kenmerkend blijven voor zijn latere werk.
Trotskisme Tijdens de Grote Depressie raakte Burnham betrokken bij het revolutionaire marxisme en het Amerikaanse trotskisme. Vanaf 1933 publiceerde hij regelmatig in socialistische en trotskistische tijdschriften en groeide hij uit tot een van de belangrijkste Amerikaanse verdedigers van de opvattingen van Leon Trotski.
In de tweede helft van de jaren 1930 ontstonden echter steeds grotere verschillen tussen Burnham en andere trotskisten over de aard van de Sovjet-Unie. Trotski bleef de Sovjet-Unie, ondanks het bewind van Jozef Stalin, beschouwen als een gedegenereerde arbeidersstaat. Burnham raakte daarentegen steeds sceptischer over zowel deze analyse als over fundamentele marxistische uitgangspunten. De stalinistische zuiveringen, het Molotov-Ribbentroppact en de Sovjetinval in Polen verscherpten zijn twijfels.
Tijdens de interne crisis van de Amerikaanse Socialist Workers Party in 1939–1940 behoorde Burnham tot de oppositie tegen de meerderheid rond James P. Cannon. Na de scheuring sloot hij zich aanvankelijk aan bij de nieuw gevormde Workers Party. Op 21 mei 1940 trad hij ook daaruit. In zijn ontslagbrief verklaarde hij dat hij zichzelf niet langer als marxist kon beschouwen. De intellectuele breuk vormde de achtergrond voor de boeken waarmee hij in de jaren 1940 brede bekendheid verwierf.
Politieke theorie
The Managerial Revolution In The Managerial Revolution: What Is Happening in the World (1941) stelde Burnham dat het traditionele kapitalisme aan betekenis verloor, maar niet noodzakelijk door socialisme in marxistische zin zou worden vervangen. Volgens hem tekende zich een nieuwe maatschappelijke orde af waarin feitelijke macht steeds meer zou berusten bij een klasse van managers, bestuurders, technici en bureaucraten die grote ondernemingen en staatsapparaten beheersten.
Burnham interpreteerde uiteenlopende regimes en ontwikkelingen — waaronder het stalinistische systeem, fascistische staten en de groeiende rol van de overheid in de Verenigde Staten — als verschillende verschijningsvormen van een bredere ontwikkeling naar een door professionele bestuurders beheerste maatschappij. Daarmee verwierp hij de marxistische verwachting dat de arbeidersklasse de kapitalistische klasse als heersende klasse zou opvolgen. Tegelijk bleven in zijn analyse elementen zichtbaar van zijn eerdere marxistische belangstelling voor klassenstructuur en machtsverhoudingen.
De voorspellingen van het boek kwamen slechts gedeeltelijk uit en zijn onderwerp van kritiek gebleven. De begrippen die Burnham gebruikte om bureaucratisering en de toenemende macht van professionele bestuurders te beschrijven, bleven echter een rol spelen in latere discussies over elites en moderne organisaties.
The Machiavellians In The Machiavellians: Defenders of Freedom (1943) verlegde Burnham zijn aandacht verder naar de algemene werking van politieke macht. Hij behandelde onder anderen Gaetano Mosca, Vilfredo Pareto, Robert Michels en Georges Sorel, die hij plaatste in een door Niccolò Machiavelli geïnspireerde realistische traditie.
Volgens Burnham moest politieke analyse minder uitgaan van de officiële idealen en rechtvaardigingen van machthebbers en meer van de feitelijke verdeling en uitoefening van macht. Politieke systemen werden volgens deze benadering onvermijdelijk door minderheden of elites geleid. Dat betekende voor Burnham echter niet zonder meer dat democratische vrijheid onmogelijk was. Een zekere mate van vrijheid kon volgens zijn interpretatie juist ontstaan wanneer concurrerende maatschappelijke krachten een te sterke concentratie van macht verhinderden.
Zijn benadering sloot daarmee aan bij de bredere traditie van de elitetheorie, al gaf Burnham aan die traditie een eigen politieke interpretatie. Zijn nadruk op de spanning tussen officiële politieke retoriek en feitelijke machtsuitoefening werd een terugkerend element in zijn latere werk.
Koude Oorlog Na de Tweede Wereldoorlog richtte Burnham zich in toenemende mate op de machtsstrijd tussen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie. In The Struggle for the World (1947) stelde hij dat het Sovjetcommunisme een geopolitieke en ideologische bedreiging vormde die niet met een hoofdzakelijk defensieve politiek kon worden bestreden. Hij pleitte voor een internationale Amerikaanse machtsstrategie en verwierp isolationisme als ontoereikend voor de naoorlogse wereld.
In The Coming Defeat of Communism (1950) werkte hij een strategie uit waarin naast militaire macht ook propaganda, politieke organisatie en andere vormen van wat hij political warfare noemde een plaats kregen. Het doel moest volgens Burnham niet uitsluitend zijn Sovjetexpansie te beperken, maar uiteindelijk ook de communistische machtspositie te verzwakken.
Politicoloog John P. Diggins wees er later op dat Burnhams analyses van de Sovjet-Unie en het communisme gedurende zijn loopbaan veranderden en niet altijd onderling consistent waren. Volgens Diggins was Burnham niettemin belangrijk voor de ontwikkeling van het Amerikaanse debat over een strategie van liberation of rollback als alternatief voor een loutere containmentpolitiek.
Burnham was in de vroege Koude Oorlog bovendien betrokken bij Amerikaanse activiteiten op het gebied van politieke oorlogsvoering. De biograaf David T. Byrne beschrijft hem als werkzaam voor de Amerikaanse inlichtingendienst en als een belangrijke deelnemer aan het door de CIA gesteunde Congress for Cultural Freedom. Een door de CIA gepubliceerde historische studie vermeldt eveneens dat Burnham samen met filosoof Sidney Hook betrokken was bij de organisatie van de Amerikaanse delegatie naar het oprichtingscongres in Berlijn in 1950.
National Review en conservatisme In 1955 hielp Burnham William F. Buckley jr. bij de oprichting van National Review, dat uitgroeide tot een belangrijk tijdschrift van het naoorlogse Amerikaanse conservatisme. Burnham werd senior editor en schreef gedurende meer dan twintig jaar over buitenlandse politiek en de Koude Oorlog.
Zijn opvattingen pasten niet zonder meer binnen één conservatieve stroming. Zijn nadruk op machtspolitiek en anticommunisme week op onderdelen af van zowel klassiek liberalisme als traditionalistisch conservatisme. Latere auteurs hebben hem retrospectief zowel in verband gebracht met het neoconservatisme als met het paleoconservatisme. Byrne waarschuwt dat dergelijke etiketten slechts gedeeltelijk recht doen aan Burnhams ontwikkeling en de verschillende kanten van zijn denken.
In Congress and the American Tradition (1959) verdedigde Burnham de constitutionele positie van het Amerikaanse Congres tegenover een te sterke concentratie van uitvoerende macht. In Suicide of the West: An Essay on the Meaning and Destiny of Liberalism (1964) viel hij daarentegen het moderne liberalisme aan. Volgens Burnham ondermijnden bepaalde liberale overtuigingen het vermogen van westerse samenlevingen om zichzelf te verdedigen tegen ideologische en geopolitieke tegenstanders. Deze diagnose was normatief en polemisch en is in de literatuur niet als een neutrale beschrijving van het liberalisme overgenomen.
Tijdens de Vietnamoorlog bleef Burnham voorstander van een krachtige Amerikaanse opstelling tegen het communisme. In zijn geschriften bleef hij de nadruk leggen op macht, politieke wil en de internationale rol van de Verenigde Staten, ook toen de binnenlandse weerstand tegen de oorlog toenam.
Receptie en invloed Een van Burnhams bekendste vroege critici was George Orwell. Orwell besprak The Managerial Revolution en Burnhams latere ideeën uitvoerig in het essay Second Thoughts on James Burnham, dat in 1946 verscheen. Orwell erkende dat Burnham belangrijke ontwikkelingen in de richting van bureaucratisering en machtsconcentratie had waargenomen, maar bekritiseerde zijn neiging om actuele machtstendensen als historisch onvermijdelijk te behandelen.
Onderzoek naar de intellectuele achtergrond van Orwells Nineteen Eighty-Four heeft daarnaast gewezen op overeenkomsten tussen Burnhams analyse van een nieuwe bestuurlijke elite en Orwells voorstelling van een hiërarchische samenleving waarin een kleine elite de politieke macht monopoliseert. Byrne beschouwt Burnhams The Managerial Revolution en The Machiavellians als aantoonbare invloeden op bepaalde elementen van Orwells roman, zonder daarmee Orwells ideeën tot Burnhams theorieën te reduceren.
Ook binnen de Amerikaanse politiek en politieke theorie bleef Burnham invloedrijk. Diggins beschouwde hem als een belangrijke figuur in de intellectuele geschiedenis van de Koude Oorlog, maar benadrukte tegelijkertijd de verschuivingen en interne spanningen in zijn analyses van het communisme. Zijn theorie over managers en elites kreeg daarnaast een langere receptie in discussies over bureaucratie, bestuurlijke klassen en politieke machtsvorming.
Laatste jaren en overlijden Gezondheidsproblemen maakten aan het einde van de jaren 1970 grotendeels een einde aan Burnhams actieve werkzaamheden bij National Review. In 1983 ontving hij van president Ronald Reagan de Presidential Medal of Freedom.
Burnham overleed op 28 juli 1987 in zijn woning in Kent, Connecticut, aan kanker. Hij was 81 jaar oud.
Bibliografie Een selectie van Burnhams boeken:
Introduction to Philosophical Analysis (met Philip Wheelwright, 1932) The Managerial Revolution: What Is Happening in the World (1941) The Machiavellians: Defenders of Freedom (1943) The Struggle for the World (1947) The Coming Defeat of Communism (1950) Containment or Liberation? An Inquiry into the Aims of United States Foreign Policy (1953) The Web of Subversion: Underground Networks in the U.S. Government (1954) Congress and the American Tradition (1959) Suicide of the West: An Essay on the Meaning and Destiny of Liberalism (1964) The War We Are In: The Last Decade and the Next (1967)
Literatuur
Zie ook