De Soames-affaire (Frans: affaire Soames; Engels: Soames affair) was een diplomatieke crisis tussen Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk in februari 1969. De crisis ontstond na een vertrouwelijk gesprek op 4 februari 1969 tussen de Franse president Charles de Gaulle en de Britse ambassadeur in Parijs, Christopher Soames. De Gaulle opperde tijdens dat gesprek bilaterale Frans-Britse besprekingen over de toekomstige politieke en economische ordening van Europa. De Britse regering bracht vervolgens West-Duitsland, de overige lidstaten van de Europese Gemeenschappen, de Europese Commissie en de Verenigde Staten op de hoogte van de strekking van het gesprek. Nadat versies van de ontmoeting in de pers waren verschenen, ontstond tussen Parijs en Londen een publiek geschil over de vertrouwelijkheid, de precieze inhoud en de betekenis van De Gaulles voorstellen.
De affaire vond plaats tegen de achtergrond van de moeizame Britse pogingen om toe te treden tot de Europese Economische Gemeenschap (EEG) en de gespannen betrekkingen tussen De Gaulle en opeenvolgende Britse regeringen. Historici verschillen over de betekenis van de affaire. Een deel van de literatuur benadrukt het Britse wantrouwen tegenover De Gaulle en de wijze waarop het Foreign and Commonwealth Office de informatie over het gesprek verspreidde; andere historici stellen dat premier Harold Wilson zelf de beslissing nam de bondgenoten te informeren en dat de crisis de Britse samenwerking met de overige EEG-lidstaten op korte termijn juist versterkte.
Achtergrond Het Verenigd Koninkrijk had in de jaren zestig tweemaal geprobeerd toe te treden tot de Europese Gemeenschappen. De Gaulle verzette zich tegen de Britse toetreding en sprak zich in 1963 en opnieuw in 1967 tegen het Britse lidmaatschap uit. Na de tweede blokkering in december 1967 zocht de regering-Wilson nauwere contacten met de vijf overige EEG-lidstaten, West-Duitsland, Italië, België, Nederland en Luxemburg, en maakte zij onder meer gebruik van de West-Europese Unie (WEU) voor overleg over Europese kwesties.
Tegelijkertijd veranderde in 1968 en begin 1969 de internationale positie van Frankrijk. Historicus Anthony Adamthwaite plaatst De Gaulles toenadering tot Londen onder meer tegen de achtergrond van de Franse binnenlandse crisis van mei 1968, de inval van het Warschaupact in Tsjecho-Slowakije, monetaire problemen en Franse bezorgdheid over het toenemende gewicht van West-Duitsland. Hij beschouwt de opening naar Groot-Brittannië als onderdeel van een Franse heroverweging van de Europese verhoudingen, zonder dat De Gaulle daarmee zijn streven naar een politiek zelfstandig Europa opgaf.
Gesprek van 4 februari 1969 Op 4 februari 1969 sprak De Gaulle tijdens een lunch in het Élysée uitvoerig met Soames. Volgens het diplomatieke verslag dat Soames na afloop naar Londen stuurde, stelde De Gaulle voor dat Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk in het geheim bilaterale gesprekken zouden beginnen over de toekomst van Europa.
In Soames' weergave uitte De Gaulle kritiek op de bestaande Europese ordening en op wat hij als een te sterke Britse afhankelijkheid van de Verenigde Staten beschouwde. Hij voorzag een Europa dat politiek zelfstandiger tegenover de Verenigde Staten zou optreden. De Gaulle sprak volgens het verslag eveneens over de mogelijkheid van een lossere economische organisatie waarin de bestaande EEG zou kunnen opgaan of veranderen, en over een kleinere politieke kern rond Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, West-Duitsland en Italië. Zijn opmerkingen over de NAVO hadden volgens deze weergave betrekking op een ontwikkeling op langere termijn en vormden geen voorstel voor een onmiddellijke Britse terugtrekking uit het bondgenootschap.
De precieze betekenis van deze voorstellen werd later omstreden. De Franse historicus Maurice Vaïsse, die zowel de Franse als de Britse verslagen van de ontmoeting vergeleek, concludeerde volgens Pine dat de documenten in hun algemene strekking dicht bij elkaar lagen. De latere controverse betrof daardoor niet uitsluitend wat er op 4 februari was gezegd, maar vooral de interpretatie en publieke voorstelling ervan.
De Gaulle wilde dat de verkennende gedachtewisseling voorlopig vertrouwelijk bleef. Soames meende dat de Franse opening serieus genoeg was om nader te onderzoeken. De Britse minister van Buitenlandse Zaken Michael Stewart en verschillende hoge ambtenaren waren aanzienlijk terughoudender. Zij vreesden dat De Gaulle Londen in een dilemma kon brengen: wanneer Groot-Brittannië buiten zijn Europese partners om met Frankrijk zou onderhandelen, kon dat zijn betrekkingen met de overige EEG-landen schaden; wanneer Londen het voorstel afwees, kon Frankrijk daaruit politieke munt slaan.
Britse besluitvorming Op 8 februari liet de Franse minister van Buitenlandse Zaken Michel Debré tegenover Soames blijken dat Parijs belangstelling hield voor strikt vertrouwelijke bilaterale besprekingen. Soames bleef in zijn rapportage aanbevelen om ten minste te onderzoeken wat De Gaulle precies beoogde.
Wilson en Stewart besloten uiteindelijk de voornaamste bondgenoten en Europese partners over het Franse initiatief in te lichten. Op 12 februari besprak Wilson de kwestie met de West-Duitse bondskanselier Kurt Georg Kiesinger. Ook de overige EEG-lidstaten werden geïnformeerd; de Europese Commissie en de Amerikaanse regering werden eveneens van de Britse weergave op de hoogte gebracht. Pine concludeert op basis van de Britse regeringsstukken dat Wilson persoonlijk instemde met deze aanpak en dat de beslissing daarom niet uitsluitend aan ambtenaren van het Foreign Office kan worden toegeschreven.
Kiesinger reageerde volgens Henning Türk verbaasd. De Frans-Duitse samenwerking berustte mede op het Élysée-verdrag van 1963, en de bondskanselier vond het opmerkelijk dat hij via Wilson van een zo belangrijke Franse gedachtewisseling over Europa hoorde. West-Duitsland verzette zich bovendien tegen een ontmanteling of sterke verzwakking van de bestaande Europese Gemeenschappen en bleef voorstander van Brits lidmaatschap.
Soames kreeg op 12 februari de opdracht de Franse regering mee te delen dat Londen zijn Europese partners zou informeren. Omdat Debré niet beschikbaar was, sprak hij met Hervé Alphand, de secretaris-generaal van het Franse ministerie van Buitenlandse Zaken. De Franse reactie was negatief: Parijs meende dat het vertrouwelijke karakter van het gesprek onvoldoende was gerespecteerd.
Uitlekken en openbare crisis Doordat inmiddels meerdere regeringen van de inhoud van het gesprek op de hoogte waren, werd de kans op het uitlekken van informatie groter. Op 21 februari 1969 berichtte de Franse krant Le Figaro over de ontmoeting. Daarbij werd de indruk gewekt dat de Britse versie van De Gaulles uitspraken de Franse positie onjuist of overdreven weergaf. De Franse regering bevestigde dat De Gaulle en Soames met elkaar hadden gesproken, maar weersprak dat Frankrijk een fundamentele ommekeer in zijn Europese beleid had aangekondigd.
Wie als eerste vertrouwelijke informatie aan de pers doorgaf, is op basis van de beschikbare bronnen niet met zekerheid vast te stellen. Pine wijst erop dat de inhoud van het gesprek tegen die tijd in verschillende hoofdsteden bekend was. Britse functionarissen organiseerden vervolgens zelf een tegenoffensief in de pers om de Franse voorstelling te corrigeren. Daarbij werd informatie over Soames' verslag eerst buiten Groot-Brittannië en vervolgens aan Britse journalisten beschikbaar gesteld.
Op 22 februari publiceerde de Britse pers uitvoerige details. Vooral de voorstelling dat De Gaulle een politieke directoire of een viermogendheden-directoraat van Frankrijk, Groot-Brittannië, West-Duitsland en Italië zou hebben voorgesteld, leidde tot Franse bezwaren. Parijs betwistte dat deze term een juiste weergave was van De Gaulles woorden en weersprak eveneens dat de Franse regering de door Londen verspreide formulering officieel had goedgekeurd.
Het Franse dagblad Le Monde meldde op 24 februari dat de in Groot-Brittannië gepubliceerde tekst volgens zijn informatie in hoofdzaak overeenkwam met Soames' eigen rapport van het gesprek, afgezien van passages met Soames' eigen antwoorden. De publieke controverse draaide daardoor mede om de context en politieke duiding van De Gaulles opmerkingen en niet alleen om een eenvoudig geschil over de letterlijke inhoud van het gesprek.“La controverse entre Paris et Londres rebondit avant l'arrivée de M. Nixon”, Le Monde, 24 februari 1969 (geraadpleegd 13 september 2026).
Debré liet Soames weten dat de vertrouwelijke gedachtewisseling waarmee op 4 februari was begonnen door de publiciteit feitelijk was beëindigd. De betrekkingen tussen beide regeringen waren daarmee opnieuw ernstig verslechterd.
Gevolgen De affaire maakte verdere vertrouwelijke Frans-Britse besprekingen op korte termijn moeilijk, maar beide regeringen probeerden de confrontatie vervolgens te beperken. In april 1969 liet Stewart weten opnieuw met Debré over de bilaterale betrekkingen en Europese kwesties te willen spreken.“M. Stewart souhaite avoir de nouvelles conversations avec M. Debré”, Le Monde, 15 april 1969 (geraadpleegd 13 september 2026).
De Gaulle trad op 28 april 1969 af nadat hij een binnenlands referendum had verloren; zijn aftreden was geen gevolg van de Soames-affaire. Zijn opvolger Georges Pompidou verzette zich niet op dezelfde principiële wijze als De Gaulle tegen Britse toetreding tot de Europese Gemeenschappen. Tijdens de Europese top van Den Haag van 1 en 2 december 1969 werd de weg vrijgemaakt voor nieuwe toetredingsonderhandelingen. Het Verenigd Koninkrijk trad uiteindelijk op 1 januari 1973 toe tot de Europese Gemeenschappen.The European Council and the Council of the EU through time, Raad van de Europese Unie, januari 2016, p. 12 (geraadpleegd 13 september 2026).
De Soames-affaire kan niet zonder meer als oorzaak van deze beleidswijziging worden beschouwd. De gewijzigde Europese situatie na het vertrek van De Gaulle vormde een bredere politieke context waarin de Britse toetredingskwestie opnieuw kon worden geopend.
Historiografie Over de interpretatie van de affaire bestaat geen volledige overeenstemming. Claire Sanderson behandelt de crisis in een monografie die gebaseerd is op onder meer Britse, Franse, Duitse en Amerikaanse archieven. Zij legt sterk de nadruk op de rol van het Britse diplomatieke apparaat en op de wijze waarop de vertrouwelijke Frans-Britse gedachtewisseling werd gebruikt in de Britse Europese diplomatie. In haar analyse kwam Soames tussen de Franse president en een Foreign Office te staan dat De Gaulle diep wantrouwde.
Melissa Pine komt op basis van Britse archiefstukken tot een minder eenduidig negatief oordeel over de Britse handelwijze. Zij benadrukt dat Wilson zelf de beslissing steunde om de bondgenoten te informeren. Volgens Pine had de affaire bovendien voor Groot-Brittannië enkele gunstige diplomatieke gevolgen: de banden met met name West-Duitsland werden verstevigd, de overige EEG-landen bleven het Britse toetredingsstreven steunen en Groot-Brittannië profileerde zich als betrouwbare partner van de Vijf.
Wilfried Loth omschrijft de affaire eerder als het resultaat van een fundamenteel misverstand over de betekenis van De Gaulles boodschap. Hij laat open in hoeverre de Franse president werkelijk bereid was de bestaande Europese structuur ingrijpend te wijzigen en in hoeverre bepaalde elementen in de overgeleverde voorstellen mede samenhingen met de ideeën van Debré.