thumb|Munt van Theodosius I de architect van het verdrag van 382.
Het verdrag van 382 was het verdrag (Latijn: foedus) dat tot stand kwam nadat op 3 oktober 382 tussen Rome en de Goten de vijandelijkheden werden beëindigdConsularia Constantinopolitana, a. 382.2 (Mommsen, MGH AA IX, pag. 243) Daarmee kwam een einde aan de Gotische Oorlog (376-382). Keizer Theodosius I is de architect van dit verdrag. De tekst van het verdrag zelf is verloren gegaan, maar kan in grote lijnen gereconstrueerd worden op basis van kennis uit latere bronnen en ontwikkelingen die erop volgden. Door dit verdrag kregen de Goten land toegewezen binnen het Romeinse Rijk, in ruil hiervoor werden zij verplicht militaire diensten te leveren.
Totstandkoming en betekenis Het akkoord dat Theodosius in 382 met de Goten sloot, wordt vaak beschouwd als een keerpunt in de verhouding tussen Rome en zijn barbaarse buren. Door de overeenkomst zouden de machtsverhoudingen ingrijpend ten nadele van het rijk verschuiven en een aanzet vormen tot een beleidsverandering die uiteindelijk bijdroeg aan de val van het West-Romeinse Rijk. Een nauwkeurige bestudering van de bronnen wijst op een overeenkomst die weliswaar traditionele kenmerken vertoonde, maar tegelijkertijd een veranderende machtsrealiteit voor het rijk markeerde.
Aangezien de onderhandelingen zich waarschijnlijk uitstrekten van begin 381 tot oktober 382, ging het vermoedelijk om een moeizaam proces van voortdurende communicatie met diverse, verspreid opererende leiders van de Gotische opstandelingen. Het is onduidelijk met welke Gotische groepen Theodosius specifiek onderhandelde, want de belangrijkste leiders uit de oorlog worden niet genoemd. Het akkoord had vrijwel zeker betrekking op het overgrote deel van de Tervingen, die oorspronkelijk onder leiding van Fritigern stonden. Het is echter mogelijk dat ook groepen Greutungen eronder vielen, en wellicht zelfs groepen Hunnen en Alanen die zich bij de andere invallers hadden aangesloten.
Op korte termijn was de overeenkomst van 382 een politieke triomf voor Theodosius. Het stelde hem in staat de taak die hem op de troon had gebracht te volbrengen. Hij bracht een vrede tot stand en de Donau-Limes was opnieuw op sterkte gebracht om barbaarse volken tegen te houden. Bovendien wist hij dankzij de hulp van de Gotische troepen de burgeroorlog te beëindigen door zijn opponent Maximus te verslaan en de usurpatie van Eugenius in 394 te onderdrukken. Op de langere termijn bracht de overeenkomst echter grote gevaren met zich mee die na Theodosius’ dood in 395 met de opstand van Alarik I aan het licht zouden komen .
Verdragsbepalingen Vestiging De belangrijkste bepaling van het verdrag was dat de Goten zich binnen het Romeinse Rijk mochten vestigen. Zij kregen landbouwgrond toegewezen, waarschijnlijk in Thracië en in aangrenzende gebieden.<ref> Themistius, Oratio 16.211a-b'</ref>De Romeinse staatsman Themistius spreekt in zijn redevoering erover dat de Goten binnenkort met de Romeinen zouden delen in hun tafels, campagnes en publieke verplichtingen.Themistius, Oratio, 16 Andere bronnen spreken expliciet over hun vestiging als landbouwers. Panegyrici Latini, boek 2(12).22.3
Goten blijven een gemeenschap De Goten mochten als gemeenschap bij elkaar blijven. Dit hield in dat zij niet als individuele boeren over Romeinse dorpen werden verspreid, maar onder hun eigen leiders als organisatie bleven bestaan. Dit onderdeel zou later verstrekkende gevolgen hebben en verklaart waarom er na 382 nog steeds een herkenbare Gotische politieke en militaire gemeenschap kon blijven bestaan. Hoe deze autonomie precies juridisch was vastgelegd is niet overgeleverd.
Militaire dienstplicht Als belangrijkste tegenprestatie voor hun vestiging binnen het rijk waren de Goten verplicht om militaire diensten aan Rome te leveren. Ze zouden als Gotische contingenten voor de keizer vechten, waarschijnlijk grotendeels onder hun eigen leiders. Themistius spreekt over deelneming in de Romeinse oorlogen en militaire campagnes.Themistius, Oratio, 16.211d Latere gebeurtenissen bevestigen dat Gotische troepen op deze manier werden ingezet. De voorwaarden waaronder deze militaire dienstplicht werd vervuld zijn echter omstreden. Jordanes beweerde goed honderd jaar later dat op grond van het akkoord 20.000 Gotische soldaten als foederati toetraden tot het Romeinse leger onder leiding van hun eigen stamhoofden. Jordanes Getica, 21.112 De contemporaine bronnen daarentegen schrijven dat Theodosius deze nieuwe rekruten integreerde in de bestaande structuur van het Romeinse leger.
Erkenning keizerlijke soevereiniteit De Goten werden verplicht de keizerlijke soevereiniteit te erkennen. De eigentijdse Romeinse bronnen presenteren de regeling niet als een verdrag tussen twee volledig gelijkwaardige staten. Ze spreken juist over de onderwerping (deditio) van de Goten. Themistius beschrijft hoe Gotische leiders hun wapens neerlegden en zich aan de keizer onderwierpen.
Belastingen en Romeins burgerrecht In hoeverre de Goten onderworpen werden aan de Romeinse belastingdienst en in ruil daarvoor het Romeins burgerrecht verkregen, is eveneens onduidelijk. Themistius lijkt te suggereren dat de Goten uiteindelijk zouden deelnemen aan Romeinse belastingen en publieke verplichtingen, maar uit andere bronnen is niet met zekerheid af te leiden welke belastingregeling gold. Ook weten we niet precies hoeveel Goten er Romeins burgerrecht kregen.
Bronnen Historici reconstrueren het verdrag van 382 door verschillende soorten bronnen naast elkaar te leggen en te kijken welke informatie elkaar bevestigt. Belangrijkste aanwijzingen komen van Themistius, waarvan een rede is overgeleverd uit 383 (oratio 16''), waarin hij de keizer prijst omdat hij de Goten niet heeft vernietigd, maar hen heeft omgevormd tot bondgenoten en boeren. Hieruit leiden historici af dat: de Goten in het rijk mochten blijven, en dat zij land kregen om te bewerken. De rede suggereert ook dat ze soldaten leverden, omdat Themistius benadrukt dat zij nu voor Rome vechten in plaats van ertegen.
Een tweede belangrijke bron is Jordanes (6e eeuw). Hij schrijft dat de Goten in Thracië als bondgenoten werden gevestigd en onder hun eigen leiders dienden. Hoewel Jordanes veel later schrijft, bevestigt hij daarmee het beeld dat de Goten als collectieve groep binnen het rijk verbleven.
De kritische interpretatie van de Byzantijnse historicus Zosimus (begin 6e eeuw) kan als een derde bron worden beschouwd. Hij bekritiseert het beleid van Theodosius. Volgens hem werden de barbaarse groepen te veel vertrouwd en was hun invloed binnen het leger te groot, waarmee zij de Romeinse staat verzwakten. Zijn kritiek bevestigt indirect dat Gotische contingenten een structurele militaire rol kregen binnen het Romeinse leger. Verder is er militair bewijs uit latere gebeurtenissen. Na 382 worden Gotische troepen regelmatig genoemd als onderdeel in Romeinse legers, ook op hoge militaire posten. Leiders als Alarik I en Athaulf begonnen hun carrière binnen het Romeinse militaire systeem. Dit suggereert dat het verdrag inderdaad een militaire verplichting voor Gothische krijgers bevatte.
Daarnaast vergelijken historici het verdrag van 382 met andere verdragen die de Romeinen sloten met barbaarse groepen bondgenoten (foederati). Zulke verdragen bevatten meestal: vestiging op Romeins grondgebied, militaire dienst voor de keizer, erkenning van Romeinse soevereiniteit. Op basis hiervan nemen historici aan dat het verdrag van 382 een vergelijkbare structuur had.
Categorie:Romeins recht