Evert Jan Planten (Stad-Doetinchem, 25 maart 1768 – aldaar, 16 mei 1832) was een Nederlands chirurgijn en bestuurder. Hij was de eerste burgemeester van Stad-Doetinchem onder het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden na de Franse tijd en bekleedde dit ambt achtereenvolgens als maire (1813), als schout en uiteindelijk als burgemeester tot zijn dood in 1832. Hij verenigde gedurende zijn ambtsperiode de bestuurlijke functie met die van stadsmededoctor (gemeentearts).

Planten verkocht in 1828 het terrein waarop in 1829 de Stadsbegraafplaats van Doetinchem werd aangelegd, en werd er na zijn dood zelf begraven.

Familie en achtergrond Planten werd geboren als jongste van vijf kinderen in een Doetinchemse familie waaruit eerder, in 1706, al een burgemeester was voortgekomen, Johan Planten."Complete lijst met de burgemeesters der Stad Doetinchem", regionaal-historisch overzicht Doetinchem 1832, samengesteld op basis van het archief van de gemeentesecretarie Doetinchem. Hij huwde met Frederika Eerligh (gedoopt te Stad-Doetinchem, 29 maart 1761; aldaar overleden 10 april 1830), dochter van H.J. Eerligh, een Doetinchemse apotheker die tevens wethouder en rechter van de stad was. Daarmee verbond Planten zich met de zittende bestuurlijke elite van Stad-Doetinchem.

Uit het huwelijk kwamen ten minste twee dochters voort: Willemina Elisabeth Planten en Johanna Maria Planten. Willemina Elisabeth huwde met Willem Colson Aberson, die in 1833 zijn schoonvader opvolgde als burgemeester van Stad-Doetinchem en later Ridder der Militaire Willems-Orde werd.

Bestuurlijke loopbaan Planten was van beroep chirurgijn en oefende deze praktijk in Stad-Doetinchem uit. Tijdens de inlijving van Nederland bij het Frans Keizerrijk werd hij in 1813 benoemd tot maire van Stad-Doetinchem. Na de val van Napoleon en de oprichting van het Soeverein Vorstendom der Verenigde Nederlanden (1813) en het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (1815) bleef hij in functie. Vanaf 1816 droeg hij officieel de titel burgemeester van Stad-Doetinchem; aanvankelijk deelde hij het bestuur met H.T. Cremer.

Planten bleef het ambt tot zijn dood in 1832 vervullen. Volgens een lokale geschiedschrijving combineerde hij zijn burgemeestersfunctie tot het einde van zijn leven met die van stadsmededoctor.

Aanleg van de Stadsbegraafplaats In 1828 verkocht Planten een driehoekig perceel grond van ongeveer 2.200 m² aan de gemeente Stad-Doetinchem, voor de som van 175 gulden. Dit terrein, gelegen aan de Nieuweweg bij de splitsing met de Hofstraat (nabij de huidige Dominee Van Dijkweg), werd door de gemeente bestemd voor de aanleg van een nieuwe begraafplaats, omdat het begraven in en bij kerken na de invoering van een Koninklijk Besluit uit 1825 op termijn moest worden gestaakt. De Stadsbegraafplaats werd op 1 januari 1829 in gebruik genomen.

Na zijn overlijden op 16 mei 1832 werd Planten op de door hem aan de gemeente verkochte begraafplaats begraven. Zijn graf is anno 2026 nog aanwezig op het terrein, dat in 2005 werd aangewezen als gemeentelijk monument.

Nagedachtenis Planten staat als nummer 10 vermeld in de heemkundige reconstructie Doetinchem en zijn bewoners in 1832, op de hoek van de Hamburgerstraat en de Markt. Daarmee behoorde zijn perceel tot de bestuurlijke kern van het toenmalige Stad-Doetinchem; in dezelfde reconstructie staan ook de woonhuizen van Carel Hendrik Verhuell (nr. 9), Hendrik Frederik Cremer (nr. 7), Wolter Coops (nr. 1), Hendrik Ketjen (nr. 2) en Hendrik Christiaan Willink-Ketjen (nr. 5) als bestuurlijke woningen vermeld.

Op de Stadsbegraafplaats te Doetinchem ligt zijn graf samen met dat van zijn echtgenote Frederika Eerligh. Zie ook Lijst van burgemeesters van Doetinchem Franse tijd in Nederland Carel Hendrik Verhuell

Categorie:Nederlands burgemeester